Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
€ 950.000
gemiddelde maandelijkse bijdragen, noch de inkomens- en vermogenspositie van de bewoonsters ter zake. Het gemiddelde bedrag werpt geen licht op de vraag of de individuele bijdrage strekt tot het enkele gebruik van de woning en daarmee in een niet-irreële verhouding staat. ‘s Hofs argument (ii) lijkt sterker, maar werpt daarop mijns inziens evenmin veel licht, nu de belanghebbende de door het Hof kennelijk niet relevant geachte gemeentelijke lasten voor de bewoners draagt, die niet verwaarloosbaar zijn, en de bijdragen ook rekening houdende met ligging of voorzieningen onverklaarbaar laag zijn. De inkomens- of vermogenspositie van de bewoonster doet niet ter zake voor de vraag waartoe haar betaling strekt, anders zou een miljardair geen rijtjeshuis kunnen huren. Dat een bewoonster het bewoningsreglement moet naleven, werpt evenmin licht op de vraag of aan de genoemde maatstaf is voldaan, nu dat reglement behalve de maandelijkse bijdrage geen prestatie van de bewoonsters vraagt die strekt tot compensatie voor het enkele gebruik van de woning, en dat reglement voor huur ongebruikelijke bepalingen bevat.
NJ2012/73 niet dàt beslissend, maar of in de gegeven omstandigheden, gelet op hetgeen partijen ten tijde van het ondertekenen van het bewoningsreglement voor ogen stond, de inhoud en strekking van hun rechtsbetrekking van dien aard zijn dat zij als huurovereenkomst kan worden aangemerkt. Het Hof lijkt daaraan voorbijgegaan te zijn.
teleologischbuiten de personele reikwijdte van de Wet verhuurderheffing valt.
tekstvan de wet (behalve als geen sprake is van ‘verhuur’) en de wetgever wenste geen uitzonderingen. Zou de wetgever zich bewust geweest zijn van gevallen zoals dat van de (bewoonsters van de) belanghebbende, dan was hij er mogelijk van uitgegaan dat met de draagkracht van de bewoonsters al rekening wordt gehouden door de zeer lage bijdragen, zodat huurtoeslag ook niet nodig is. Dat neemt echter niet weg dat op alle als relevant aangemerkte punten contrateleologisch van de belanghebbende wordt geheven, vier tot acht keer zo hoog als de medewetgever veronderstelde, hetgeen haar charitatieve doel en mogelijkheden in gevaar kan brengen.
2.Defeitenenhetgedinginfeitelijkeinstanties
Feiten
€ 950.000
3.Het geding in cassatie
NJ1991/678 [8] af dat van een tegenprestatie alleen dan geen sprake is wanneer het betaalde bedrag een te verwaarlozen element betreft en daarnaast ook geen andere op geld waardeerbare tegenprestaties worden verricht. Het Hof mocht zijns inziens mede betekenis hechten aan de verplichtingen die voortvloeien uit het bewoningsreglement. Het Hof is volgens de Staatssecretaris uitgegaan van een juiste rechtsopvatting. Nu de belanghebbende aan de bewoonsters tegen een niet verwaarloosbare tegenprestatie een zaak in gebruik verstrekt, is zijn oordeel niet onbegrijpelijk. De Staatssecretaris wijst erop dat blijkens de parlementaire geschiedenis de wetgever geen uitzondering heeft willen maken voor hofjeswoningen die tegen een relatief lage vergoeding ter beschikking worden gesteld.
4.De relevante regelgeving
5.Achtergrond, karakter en effect van de Wet verhuurderheffing
Ratio en rechtvaardiging van de verhuurderheffing; kritiek
Knops, Omtzigt en Schoutendat beoogde rekening te houden met de draagkracht van woningcorporaties, met de investeringsbehoefte van verhuurders in bijvoorbeeld krimpgebieden en met bepaalde typen (monumentale) woningen, werd door de indieners ingetrokken nadat de staatssecretaris van Financiën in het kader van het Belastingplan 2013 had toegezegd bij de uitwerking van nieuwe voorstellen inzake huurbeleid “dit punt expliciet te toetsen op zijn noodzakelijkheid bij eventuele volgende maatregelen en effecten”. [33]
Essers c.s. [40] verzocht de regering dan ook de verhuurderheffing te beperken tot gesubsidieerde gevallen:
alsin casu sprake is van verhuur (zie 8.1 - 8.8 hieronder) – slechts één bewoonster mogelijk voor toeslag in aanmerking zou kunnen komen: zij betaalt € 221 per maand voor een ‘dubbel huisje’. [51] Nu het om een eenpersoons ouderenhuishouden gaat, zou zij voor huurtoeslag in aanmerking kunnen komen voor zover haar bijdrage € 220,36 overtreft. De overige bewoonsters dragen veel minder bij; de op één na hoogste bijdrage, die eveneens door slechts één bewoonster wordt betaald, beloopt € 115 per maand. Dertien bewoonsters betalen € 19 per maand; achttien bewoonsters € 46. De veronderstelling dat de huurtoeslag ook geldt voor hofjesbewoners als de huurprijs beneden de maximumhuurgrenzen van de huurtoeslag blijft, mist dus feitelijke grondslag. Die veronderstelling gaat voorbij aan de minimum rekenhuur/basishuur of is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat er geen gevallen bestaan zoals dat van de (bewoonsters van de) belanghebbende, die bedragen (ver) beneden de basishuur betalen. Voor zover de wetgever dit wél onderkend zou hebben en verondersteld zou hebben dat een hofje zoals de belanghebbende de bijdragen zou kunnen optrekken naar de maximaal redelijke huur, mist ook die veronderstelling feitelijke grondslag, nu – áls het om huur gaat – de belanghebbende de bijdragen met niet meer dan het wettelijke maximum huurverhogingspercentage kan verhogen (zie de artt. 248(1), 250 en 252 boek 7 BW en art. 10(2) en 13 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte).
kale huurprijsvan (2013) maximaal € 681,02, exclusief servicekosten, terwijl huurtoeslag is gebonden aan een maximum
rekenhuurvan € 681,02, waarvoor servicekosten, tot ten hoogste € 48 per maand, wél meetellen.
bestemdewoningen. Ook leegstaande huurwoningen hebben een huurprijs. De gevraagde huurprijs bepaalt of de woning in de gereguleerde sector valt en in de verhuurderheffing wordt betrokken. [60] Doordat de verhuurderheffing is beperkt tot de gereguleerde sector, worden vooral woningcorporaties getroffen, maar ook particuliere verhuurders kunnen belastingplichtig worden. Tijdens de parlementaire geschiedenis zijn behalve particuliere hofjesstichtingen zoals de belanghebbende ook genoemd zelfstandige woningen of wooneenheden verhuurd door AWBZ‑instellingen en studentenhuisvesting.
rekenhuur in 2013 liggen tussen € 220,36 (€ 222,18) en € 681,02. De verhuurderheffing werd in beginsel alleen aan de bovenkant beperkt door een
kalehuurgrens ad € 681,02.
6.Jurisprudentie van de feitenrechter over de Wet verhuurderheffing
7.‘Voor verhuur bestemde woning’; burgerlijk recht
Verhuur
NJ1964/215: [87]
NJ2009/246 [88] betrof de vraag of een zolderruimte onderdeel uitmaakte van een gehuurde woonruimte. De eiseres (Plak) huurde de tweede etage van een woning, waar geen douchegelegenheid was; die bevond zich op de zolder ter zake waarvan Plak krachtens de overeenkomst voor de helft een gebruiksrecht had. De vraag was of het recht van gebruik van de halve zolder onderdeel was van het gehuurde. U overwoog:
NJ2012/73, [89] een Antilliaanse zaak, ging over
time shareovereenkomsten (huur van drie appartementen voor 999 jaar voor een huurprijs ineens vooraf ad $ 1.250.000 met de verplichting de appartementen ter beschikking te stellen aan de ‘rental pool’ van de eigenaar, met gegarandeerde (door)verhuuropbrengst gedurende een bepaalde periode en het recht de
time sharerechten voor hetzelfde bedrag terug over te dragen na afloop van die periode). Na een eigenaarswisseling was in geschil of art. 7A:1593 BW (koop breekt geen huur) van toepassing was, dus of de
time shareovereenkomsten konden worden aangemerkt als huurovereenkomsten. Uw eerste kamer overwoog:
NJ1991/678, [103] was de hoogte van de huurprijs van belang voor de vraag of sprake was van een huurovereenkomst. Volgens de Rechtbank kon vanwege een “uiterst lage huurprijs” van één gulden per jaar geen huurovereenkomst worden aangenomen, maar zij had over het hoofd gezien dat de huurder ook andere verplichtingen op zich had genomen, zoals de bouw en exploitatie van een benzinestation. Bovendien had de verhuurder recht op een omzet-gerelateerde provisie voor het in gebruik verstrekken van de desbetreffende grond. U zag wél een huurovereenkomst, nu de te verrichten prestaties ‘een niet te verwaarlozen element’ inhielden:
tegenprestatie (en dus van een huurovereenkomst). Aldus ook Van Schie, [105] die schrijft dat “de tegenprestatie (…) wel enigszins in verhouding [moet; PJW] staan tot het in gebruik krijgen van de zaak”. Het incidenteel verrichten van klusjes voor de eigenaar van een woonruimte, of af en toe boodschappen doen, acht zij niet voldoende om te kunnen spreken van een tegenprestatie.
tegenprestatie);
NJ1982/580 een voorbeeld. [109] Een woning was meer dan 20 jaar bewoond door de zoon van de eigenaar. Zoon had daar niet voor betaald, maar had wel onverplicht aanzienlijke bedragen aan verbouwingen besteed. Ook was hij op grond van de gebruiksovereenkomst verplicht tot onderhoud voor zijn rekening. U sanctioneerde ’s Hofs oordeel dat
WR2016/78 en 80 (zie 7.26 en 7.27 hieronder) onderscheidt Winter-Bossink een tegenprestatie voor het gebruik van de woning van een vergoeding voor (werkelijk gemaakte) gebruikskosten, zoals gas, water en licht. Een vergoeding voor louter de werkelijke gebruikskosten of voor de reële bemiddelingskosten is geen tegenprestatie voor het gebruik van de woning en levert dus geen huur op. Wordt méér betaald, dan kan huur worden aangenomen. Het gaat er volgens haar om de vergoeding te ontleden in haar verschillende elementen en per element te bepalen tot dekking waarvan het strekt (voetnoten weggelaten):
f450 per maand voor kamers in een pand aan de Oudezijds Achterburgwal te Amsterdam “dermate hoog, dat zij niet kan worden beschouwd als slechts een onkostenvergoeding”. [117] Hij nam daarom aan dat de gedaagden het pand bewoonden op basis van individuele huurovereenkomsten, waaraan niet afdeed dat de overeenkomsten ook een element van bewaring bevatten.
f594,40 per maand werd betaald op basis van een overeenkomst die bepaalde dat de gebruiker geen huurcontract voor de woning had. Dat weerhield de voorzieningenrechter niet van de conclusie dat een huurovereenkomst was gesloten, nu de gebruiker de ruimte als zelfstandige woning gebruikte, de prijs voor de woning niet irreëel was en hij bovendien zelf de energiekosten betaalde. De door (één der) partijen aan de overeenkomst gegeven naam deed daaraan niet af.
Ad Hoc) maandelijks € 220 betaalde voor het gebruik van een kamer in ‘Dennenheuvel’.
Ad Hocverrichtte diensten als communicatie, incasso, 24 uur bereikbaarheidsdienst, administratie, acquisitie, onderhoud en overhead. De overeenkomst vermeldde expliciet dat beroep op huurbescherming in strijd zou zijn met de bedoeling van de partijen. De voorzieningenrechter overwoog:
8.Toepassing; beoordeling van het middel
gemiddelde maandelijkse bijdragen, noch de inkomens- en vermogenspositie van de bewoonsters ter zake voor de vraag of het om huur gaat. Het gemiddelde bijdragebedrag beantwoordt niet de vraag waar het om gaat, namelijk tot betaling waarvan - naar hetgeen de partijen voor ogen stond - het concrete bedrag strekt dat een individuele bewoonster aan de belanghebbende betaalt. ‘s Hofs argument (ii) lijkt sterker, maar werpt daarop mijns inziens evenmin veel licht, gegeven dat (a) de belanghebbende ook de gemeentelijke lasten ten laste van de bewoonsters draagt, die niet verwaarloosbaar zijn (zie voetnoot 126) en (b) ook bij inaanmerkingneming van ligging en voorzieningen het gaat om op basis daarvan onverklaarbaar zeer lage bijdragen. Als de inkomens- of vermogenspositie van de bewoonster ter zake zou doen, zou pas bij een (veel) hogere maandelijkse vergoeding sprake kunnen zijn van huur als en naarmate de gebruiker (veel) vermogender is. De realiteit van de tegenprestatie moet mijns inziens uitsluitend worden gerelateerd aan hetgeen daar tegenover staat; niet aan de persoonlijke financiële positie van de bewoonster.
Ad absurdumimpliceert deze redengeving immers dat het concept
scheefhuren onbestaanbaar is en dat Warren Buffett en George Soros nooit zouden kunnen huren. Dat een bewoonster het bewoningsreglement moet naleven, werpt mijns inziens evenmin licht op de vraag of de bewoonsters een voldoende bepaalbare en rechtens afdwingbare prestatie verrichten jegens de belanghebbende in uitsluitend verband met en enigszins in verhouding tot het gebruik van de hen ter beschikking gestelde woonruimte, nu dat reglement behalve een zeer lage maandelijkse bijdrage geen prestatie van de bewoonsters vraagt die strekt tot compensatie voor het gebruik van de woning, en dat reglement bepalingen bevat die niet op huur duiden, zoals de bepalingen dat zonder schriftelijke toestemming geen man mag overnachten, dat overnachting van een vrouw of een kind tevoren moet worden gemeld, dat afwezigheid van één of meer nachten en ook terugkomst moet worden gemeld en dat het gebruiksrecht vervalt als de bewoonster trouwt. Het reglement verbiedt voorts ‘verhuur’, niet ‘onderverhuur’.
NJ2016/236 [128] blijkt dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst in beginsel opzegbaar is, maar dat een dergelijke overeenkomst in het licht van statuten en naar de bedoeling van partijen soms niet-opzegbaar kan zijn, behoudens de werking van art. 6:248 lid 2 BW Pro en 6:258 BW. Dus ook als geen sprake is van huur, hoeft dat in dit geval niet mee te brengen dat geen sprake is van huurbescherming.
NJ2012/73 blijkt dat niet beslissend is of het reglement elementen bevat op grond waarvan op zichzelf aan de wettelijke omschrijving van huur kan zijn voldaan, maar of in de gegeven omstandigheden, gelet op hetgeen partijen ten tijde van het ondertekenen van het reglement voor ogen stond, de inhoud en strekking van hun rechtsverhouding van dien aard zijn dat zij als huurovereenkomst kan worden aangemerkt. Het Hof lijkt daaraan voorbijgegaan te zijn.
alssprake is van huur, kan de belanghebbende de maandelijkse bijdragen niet verveelvoudigen, maar slechts jaarlijks met het wettelijke maximum huurverhogings-percentage verhogen. De (mede)wetgever hield er voorts rekening mee (zie 5.15) dat de verhuurderheffingdruk zou kunnen oplopen tot 1 à 2 maal de totale brutomaand-huuropbrengst in 2017; in belanghebbendes geval loopt die druk in 2017 echter op tot bijna acht maal de totale bruto maandbijdrageopbrengst. Wordt de voetvrijstelling verruimd, dan nog zal de druk bijna vier maal de totale maandbijdrage bedragen. In 2016 beloopt de heffingsdruk hoe dan ook zeven maal de totale maandbijdrage. De druk is nog veel hoger als de bijdragen ter zake van de voetvrijgestelde woningen buiten aanmerking worden gelaten. De vooronderstellingen waarop de wetgever baseerde dat een specifieke regeling onnodig was voor (bewoonsters van) hofjes, missen dus feitelijke grondslag in een geval zoals dat van de belanghebbende.
teleologischduidelijk buiten de personele reikwijdte van de Wet verhuurderheffing.
tekstvan de wet vallen (behalve als van ‘verhuur’ geen sprake is), (ii) de medewetgever geen uitzonderingen wenste en (iii) indien de wetgever zich bewust zou zijn geweest van gevallen zoals dat van de (bewoonsters van de) belanghebbende, hij er mogelijk van uitgegaan zou zijn dat met de mindere draagkracht van de bewoonsters al rekening wordt gehouden door de zeer lage bijdragen, zodat huurtoeslag ook niet nodig is. Dat neemt niet weg dat op alle als relevant aangevoerde punten contrateleologisch wordt geheven op een niveau dat vier tot acht keer zo hoog komt te liggen als de medewetgever veronderstelde van een hofjesstichting wier charitatieve doel en mogelijkheden aldus in gevaar komen.
9.Art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM
lawfulis (zij is tijdig aangekondigd), noch (ii) dat zij geen
legitimate aimzou dienen (er is veel op aangemerkt, maar
devoid of reasonable foundationlijkt zij mij op wetgevingsniveau niet), terwijl (iii) van de belanghebbende voor het litigieuze jaar 2013 niet meer dan € 399 geheven wordt, hetgeen mijns inziens niet een
individual and excessive burdengenoemd kan worden die de vereiste
fair balancetussen algemeen belang en privaat belang schendt.
individual and excessive burdenis die de
balancetussen het algemene budgettaire belang en het stichtingsbelang op individueel niveau verstoort, gegeven dat deze individuele druk een veelvoud is van wat de medewetgever veronderstelde en het de belanghebbende onmogelijk kan maken om haar charitatieve - en de overheid/de gemeenschap mogelijk uitgaven besparende - doel na te blijven streven.