Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
family lifeals bedoeld in art. 8 EVRM Pro (gehad).
family life) gewaarborgde rechten. De Rechtbank heeft dat beroep afgewezen. Belanghebbende heeft zijn stelling voor het Hof herhaald en zich aanvullend beroepen op het discriminatieverbod van art. 14 EVRM Pro. Het Hof is niet aan behandeling daarvan toegekomen. In zijn verweerschrift in cassatie wijst belanghebbende op door hem opgeworpen vraag naar strijdigheid met artt. 8 en 14 EVRM, dat bij gegrondverklaring van het beroep van de Staatssecretaris (zie hiervoor) alsnog behandeld moet worden.
family lifebestaat anders aan erfbelasting wordt onderworpen dan de verkrijging door een kind dat wel in familierechtelijke betrekking staat, in mijn optiek discriminatoir. Vanuit het buitenkansprincipe is er geen reden om een kind zonder familierechtelijke betrekking anders te behandelen dan een kind dat die juridische betrekking wel heeft, aangezien beide kinderen – bij het bestaan van
family life– de redelijke verwachting kunnen hebben dat zij van hun vader zullen verkrijgen. De omstandigheden dat een kind volgens het civiele recht niet met meer dan twee ouders een familierechtelijke betrekking kan hebben en dat de eventuele aanpassing van die regeling aan meerouderschapsituaties civielrechtelijk een delicate kwestie is, rechtvaardigen naar mijn opvatting niet automatisch het fiscale onderscheid dat voor de SW wordt gemaakt naargelang een familierechtelijke betrekking bestaat, zonder in ogenschouw te nemen of biologische verwantschap en
family lifebestaat. Omdat het Nederlandse civiele recht evenwel diverse mogelijkheden kent om de juridische band (de familierechtelijke betrekking) alsnog tot stand te brengen tussen een biologische vader en zijn kind, meen ik dat de wetgever
in het algemeenvoor het belastingbrede kindbegrip in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de volgens dat recht te bepalen ‘familierechtelijke betrekking’ en niet is gehouden op de ontwikkelingen rondom de eventuele aanpassing van Boek 1 BW aan meerouderschapssituaties vooruit te lopen door in zijn algemeenheid voor alle kinderen van biologische vaders met wie geen familierechtelijke betrekking (maar wel
family life) bestaat een uitbeidingsbepaling op te nemen in de SW. Voor het specifieke geval van belanghebbende meen ik dat op basis van art. 1 EP Pro, in samenhang met art. 14 EVRM Pro (en art. 8 EVRM Pro), belanghebbende dient te worden behandeld als kind en afstammeling voor de SW. Ik kom tot die conclusie op basis van het volgende.
family lifeheeft – opzij moeten zetten, hetgeen mijns inziens op gespannen voet staat met art. 8 EVRM Pro, aangezien hij daarmee in een
family-life-conflict belandt waarmee hij niet geconfronteerd was als de erkenningsproblematiek zich niet had voorgedaan of wanneer hij binnen een huwelijk was geboren.
very weighty reasons.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Haas [6] heeft beslist dat art. 8 EVRM Pro geen recht op erkenning als erfgenaam inhoudt. Dit arrest moet naar het oordeel van de Rechtbank zo worden uitgelegd dat als art. 8 EVRM Pro geen recht geeft om in de kwaliteit van kind te erven, het belanghebbende ook geen recht geeft om in de kwaliteit van kind belast te worden voor de toepassing van de SW.
3.Het geding in cassatie
family lifetussen belanghebbende en de erflater. In het verweerschrift verwijst belanghebbende naar een door hem voor het Hof overgelegde opinie, waarin tot de conclusie wordt gekomen dat (i) art. 2(3)i AWR niet alleen ziet op juridische kinderen, maar ook op biologische kinderen (en dus belanghebbende), omdat het begrip kind in die bepaling niet volgens de familierechtelijke normen is gedefinieerd; en (ii) het behandelen van belanghebbende als derde voor de SW in strijd komt met art. 8 in Pro verbinding met art. 14 EVRM Pro.
4.De relevante nationale regels en de context van die regels
Relevante bepalingen in de SW
De gedachte achter deze variatie in vrijstellingsbedragen is dat er enerzijds in bepaalde gevallen een verzorgingsbehoefte is en anderzijds ook sprake is van een verwachtingswaarde. Zowel de dubbele progressie naar verwantschap en grootte van de verkrijging in het tarief als de hogere vrijstelling naarmate er een grotere zorgplicht dan wel verwachtingswaarde bestaat, kunnen bogen op een brede maatschappelijke steun. Dit is enkele jaren geleden gebleken uit een onderzoek naar de maatschappelijke opvattingen over de successiebelasting [12] , en recentelijk bevestigd bij de internetraadpleging ter zake van de voorgenomen wijziging van de Successiewet 1956.Om deze reden zijn deze elementen in de voorgestelde tariefstructuur gehandhaafd. (…) De huidige Successiewet 1956 kent drie tariefgroepen (of vier, indien de opslag van 60% voor kleinkinderen in tariefgroep 1 als afzonderlijke tariefgroep wordt geteld) en per groep zeven schijven. Het voorstel is om dit terug te brengen tot twee (of drie) tariefgroepen met elk twee schijven. Daarnaast wordt in dit voorstel het scala aan vrijstellingen, zowel naar aard als in aantal, aanmerkelijk vereenvoudigd. Zo wordt voorgesteld de drempelvrijstellingen om te zetten in voetvrijstellingen en vervallen de aparte vrijstellingen voor minderjarige of gehandicapte kinderen. Tevens wordt een aanzienlijke verlaging van de tarieven voorgesteld. Dit betreft met name de tarieven van de huidige tariefgroep 3 van 41–68%, die maatschappelijk niet meer van deze tijd worden geacht. (…)”
Ouder, kleinkind en broer/zusvormen de middencategorie vanwege hetzelfde motief. Aan de niet-familiaire doelgroepen, inclusief
neef/nichtwordt de laagste voorkeur toegekend. De motieven hiervoor lopen sterk uiteen. Familiebelang is echter wel veruit het vaakst genoemde motief, gevolgd door respectievelijk emotioneel belang, zorgbelang en bedrijfsbelang. De huidige tariefgroepindeling voor successiebelasting is duidelijk terug te vinden in deze resultaten.”
Wij zijn van oordeel dat een onderscheid naar de graad van verwantschap aanspreekt en dat een dergelijke differentiatie daarom in beginsel dient te worden gehandhaafd. Door het aanbrengen van deze differentiatie wordt ook recht gedaan aan het buitenkansbeginsel dat aan de belasting op erfrechtelijke verkrijgingen mede ten grondslag ligt. Het buitenkanskarakter van een verkrijging neemt immers in het algemeen toe naarmate de persoonlijke betrekking die tot de erflater heeft bestaan, minder sterk is geweest.Waar het uiteraard niet mogelijk is betrekkingen van persoonlijke aard in hun individuele verscheidenheid aan de belastingheffing ten grondslag te leggen dient de successiebelasting zich te beperken tot die, welke naar objectieve maatstaven uiterlijk waarneembaar en controleerbaar zijn. Als zodanig komen dan in aanmerking het huwelijk, de (graad van) bloed- en aanverwantschap en het feit van langdurige samenwoning. Gezien de ontwikkelingen in de familieverhoudingen zoals deze zich de afgelopen decennia hebben voorgedaan, lijkt ons de huidige differentiatie in 6 tariefgroepen te verfijnd als weergave van in onze maatschappij bestaande relatiepatronen. Wij zijn van mening dat een indeling in drie tariefgroepen een voldoende basis vormt voor de tariefstelling.
Daarmee wordt naar onze mening genoegzaam tot uitdrukking gebracht dat een verdere verwantschap of het niet verwant zijn ten aanzien van de erflater een hoger tarief met zich meebrengt.(…)”
.”
HR BNB 2008/17 [17] , waarin de vraag aan de orde is of het onderbrengen van verkrijgingen door neven en nichten in de tariefgroep voor derden strijdig is met het bepaalde in art. 26 IVBPR Pro, art. 14 EVRM Pro en/of art. 1 EP Pro, benoemde de Hoge Raad expliciet het buitenkansprincipe als grond voor het onderscheid in tariefgroepen binnen de SW:
Omschrijving van de maatregel
De gevolgen strekken zich niet uit tot de familierechtelijke betrekkingen met kinderen.
dat wil zeggen een eigen kind, een stiefkind of een kind van de geregistreerde partner. Op sommige plaatsen in de wet, maar niet alle, wordt nu ook gesproken van pleegkind. Op die plaatsen wordt (de omschrijving van) het begrip pleegkinderen gehandhaafd, om wijziging van de bestaande situatie met betrekking tot pleegkinderen te voorkomen.”
HR BNB 2005/60) leid ik af dat de Hoge Raad ook na de invoering van art. 2(3)i AWR bij de uitleg van het begrip ‘kind’ aansluit bij het civiele recht. Hoewel de Hoge Raad dit niet expliciet overweegt, volgt uit dit arrest dat doorslaggevend is dat tussen vader en kind een familierechtelijke betrekking tot stand is gekomen. De Hoge Raad overweegt in dit verband als volgt (voetnoten weggelaten):
HR BNB 2005/60volgende verwijzingsopdracht als volgt: [36]
Tussen bloedverwantschap en ‘familierechtelijke betrekking’ (te verstaan als afstammingsrechtelijke betrekking) is dus geen verschil.Zie ook art. 4:10 lid 3 BW Pro met in de toelichting: ‘omdat de bepaling alleen betrekking heeft op verwanten die ook in de zin der wet bloedverwanten zijn’ (Parl. Gesch. BW Boek 4 2002, p. 143). (…)
De enige betekenis van art. 1:3 lid 1 BW Pro is dat het aangeeft hoe de graden van bloedverwantschap worden berekend. Het is dus een interpretatieve bepaling, zonder materiële betekenis.Dit blijkt ook al hieruit dat er tal van bepalingen zijn die rechtsbetrekkingen tussen bloedverwanten regelen zonder dat woord te gebruiken. Dan worden de bloedverwanten concreet aangeduid als ouders, kinderen, broers, zusters.”
Het zou ook opmerkelijk zijn als de wetgever met de Aanpassingswet geregistreerd partnerschap tevens zou hebben beoogd om het begrip ‘bloedverwantschap’ in fiscale zin ingrijpend te wijzigen. De invoering van het geregistreerd partnerschap gaf daarvoor immers geen enkele aanleiding.Nu de toelichting bij de totstandkoming van art. 2 lid 3 onderdeel Pro i AWR verder niets vermeldt, zou ervan uitgegaan moeten worden dat dit artikel een voortzetting is van de vóór 1998 in de diverse heffingswetten opgenomen bepalingen.”
Als de fiscale wetgever hier had willen afwijken van het civielrechtelijke begrip bloedverwantschap (waarover meer hierna), had hij dit moeten aangeven, hetgeen hij niet heeft gedaan.
HR BNB 2005/60(zie 4.24) annoteert Feteris in
BNBonder meer dat voor bloedverwantschap ex art. 2(3)i AWR is vereist dat een familierechtelijke betrekking bestaat (cursivering CE):
Uit dit arrest is af te leiden dat daarvoor vereist is dat er tussen de betrokken personen familierechtelijke betrekkingen bestaan.Uit het arrest blijkt tevens dat het niet hoeft te gaan om betrekkingen die worden beheerst door het Nederlandse recht. Het gaat hier dan ook om een rechtsregel als bedoeld in punt 4, waarvan de toepassingsvoorwaarden materieel zijn omschreven, en waarbij niet specifiek is gedacht aan een Nederlandse rechtsfiguur. Wel zal per geval moeten worden beoordeeld wat de inhoud is van een door buitenlands recht beheerste rechtsverhouding tussen twee personen, en of deze verhouding van dien aard is dat van familierechtelijke betrekkingen kan worden gesproken. Daarbij is naar mijn oordeel bepalend of in juridische zin sprake is van de vader of moeder van het kind [57] .”
HR BNB 2009/27(zie 4.25) annoteert Spek in
BNBonder meer dat het voor de uitleg van het begrip kind logisch is aan te sluiten bij het BW, gelet op de achterliggende verzorgingsgedachte bij zowel de civiele als fiscale regeling (cursivering CE):
Art. 1:199 BW Pro bepaalt wanneer een man de vader van een kind is. Naast het kind dat is geboren uit het huwelijk, gerechtelijke erkenning en adoptie kan een man vader van een kind worden door deze te erkennen. Daarbij is niet de verwekking door de man, maar de erkenning de bron van de familierechtelijke betrekkingen. Zowel aan de fiscale regelingen als aan de regels van het BW ligt mede een verzorgingsgedachte ten grondslag, zodat vanuit dat oogpunt aansluiting van het fiscale recht bij het burgerlijk recht voor de hand ligt.
opinio iurismoet de civielrechtelijke term ‘bloedverwantschap’ als bedoeld in art. 1:3 BW Pro worden gelijkgesteld met de ‘familierechtelijke betrekking’. Deze termen zijn inwisselbaar (zie 4.33-4.35). [61]
6.Schending van door het EVRM gewaarborgde grondrechten?
family life). De Rechtbank heeft het beroep op art. 8 EVRM Pro afgewezen (2.10). Belanghebbende heeft zijn stelling voor het Hof herhaald en zich aanvullend beroepen op het discriminatieverbod van art. 14 EVRM Pro. [72] Volgens belanghebbende zijn de kindvrijstelling en tariefgroep I in zijn geval van toepassing omdat sprake is van
family lifeals bedoeld in art. 8 EVRM Pro, waardoor de behandeling van belanghebbende als een derde in strijd komt met het discriminatieverbod van art. 14 EVRM Pro. Het Hof heeft deze stelling van belanghebbende niet behandeld omdat het op basis van de nationale wet reeds tot het oordeel komt dat belanghebbende voor de toepassing van de SW een ‘kind’ en ‘afstammeling’ is van erflater. In onderdeel 5 heb ik uiteengezet dat dit oordeel in mijn optiek niet in stand kan blijven.
family lifebespreek, merk ik alvast op dat ik het bepaalde in art. 1 EP Pro in de beoordeling zal meenemen, aangezien (i) belanghebbende stelt dat hij ten onrechte als derde in de belastingheffing wordt betrokken (ii) het EHRM dat ook doet in zijn rechtspraak over verschillen in behandeling in erfrechtzaken. Het onderzoekt de verschillen in voorkomende gevallen op grond van art. 14 in Pro samenhang met art. 8 EVRM Pro dan wel art. 14 EVRM Pro in samenhang met art. 1 EP Pro. [74]
family lifete bespreken, omdat (i) de beperking volgens het Nederlandse civiele recht om de als
family lifeaan te merken rechtsbetrekking tussen belanghebbende en erflater niet als ‘familierechtelijke betrekking’ te beschouwen in mijn optiek de spil is van de gestelde discriminerende heffing en (ii) in deze zaak wordt gewezen op gevoeligheden en ontwikkelingen in (onder meer) het familierecht die de (discriminerende) beperking van
family lifemogelijk rechtvaardigen.
HR NJ 1995, 468) heeft de civiele kamer van de Hoge Raad het volgende overwogen met betrekking tot het recht op
family lifebij erfrechtelijke aanspraken:
HR NJ 1997, 483) geen aanleiding gezien terug te komen van zijn oordeel in
HR NJ 1995, 468. [77] Aanvullend heeft de Hoge Raad met betrekking tot de vraag of de regels van het nationale afstammingsrecht een eventuele inbreuk op art. 8 EVRM Pro opleveren, overwogen dat de wetgever een zekere beoordelingsruimte toekomt en dat de herziening van het afstammingsrecht politieke afwegingen vergt, waarop de rechter niet vooruit kan lopen (cursiveringen CE):
Een uitsluiting van intestaat erfgenaamschap op de enkele grond van het onwettig karakter van de afstamming is evenwel discriminatoir en levert op deze grond een schending op van art. 8 in Pro verbinding met art. 14.Dat sluit niet uit dat voor andersoortige beperkingen van het ab intestaat erfrecht van onwettige kinderen wel objectieve en redelijke rechtvaardigingsgronden kunnen bestaan. Ook dienaangaande komt aan de nationale wetgever een zekere mate van beoordelingsvrijheid toe.
In de eerste plaats moet hieruit worden afgeleid dat het vooralsnog ontbreken in het Nederlandse recht van een regel dat het onwettige niet erkende kind erfgenaam van zijn verwekker is, niet gezegd kan worden uitsluitend te berusten op het onwettig karakter van zijn afstamming, maar op de moeilijkheid in het kader van de ondernomen wetgeving tot een verantwoorde afweging van alle bij het afstammingsrecht betrokken belangen te komen. In de tweede plaats volgt hieruit dat het hier gaat om keuzen die naar hun aard de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan. Zulks brengt mee dat evenmin mogelijk is om geheel of ten dele op de voormelde wetgeving vooruit te lopen.(…).”
Marckx [78] – waarnaar de Hoge Raad in
HR NJ 1997, 483verwijst – overweegt het EHRM dat
family lifezich tevens uitstrekt tot (toekomstige) erfrechtelijke aanspraken:
HR NJ 1997, 483is ook voor het EHRM gebracht. Op 13 januari 2004 heeft het EHRM in die zaak, bekend als de zaak
Haas [79] , geoordeeld dat uit art. 8 EVRM Pro niet het recht kan worden afgeleid om voor louter erfrechtelijke verkrijgingsdoeleinden als kind (en dus erfgenaam) te worden aangemerkt. Het EHRM overweegt:
Haaszo uitgelegd dat als art. 8 EVRM Pro geen recht geeft om in de kwaliteit van kind te erven, het belanghebbende ook geen recht geeft om in de kwaliteit van kind belast te worden voor de toepassing van de Successiewet. Ik meen dat zij zich ten onrechte alleen op het arrest
Haasbaseert. Ter beantwoording van de vraag of belanghebbende een beroep op art. 8 EVRM Pro toekomt, is van belang of tussen belanghebbende en de erflater
family lifebestond dat door art. 8 EVRM Pro wordt gewaarborgd. In het arrest
Haasheeft het EHRM overwogen dat er niet of nauwelijks een band was tussen het kind en de vader zodat geen
family lifetussen hen bestond, [80] en het brengen van die casus onder
familylife het begrip te veel zou oprekken. Met andere woorden, art. 8 EVRM Pro kon in dat geval niet worden ingeroepen om in juridische zin een familieband tot stand te laten komen voor louter erfrechtelijke doeleinden; er was geen te beschermen
family life. In de voorliggende zaak staat evenwel niet ter discussie dat tussen erflater en belanghebbende
family lifebestond. [81] In die zin zou het beroep op art. 8 EVRM Pro kunnen worden opgevat als een beroep op het aan die bepaling te ontlenen recht op bescherming van de reeds bestaande familieband.
Lebbink v. The Netherlands [82] . Daarin heeft het EHRM overwogen dat uitsluitend biologische verwantschap onvoldoende is voor bescherming volgens art. 8 EVRM Pro:
Lebbink v. The Netherlandsin ogenschouw nemend, is de uitkomst in het arrest
Haasalleszins verklaarbaar.
family lifebestond. Daarbij moet wel worden onderkend dat: (i) belanghebbende slechts wordt geraakt door de financiële afwikkeling van de nalatenschap (namelijk de heffing van erfbelasting), en dus niet is beperkt in de mogelijkheid om erfrechtelijk te verkrijgen; en (ii) bij het overlijden van erflater hun
family lifeingrijpend van aard is gewijzigd en mogelijk zelfs is beëindigd. Ad (ii) staat mijns inziens niet aan een beroep op art. 8 EVRM Pro in de weg. Zoals in (onder meer)
Merger and Cros v. France [83] werd overwogen, verandert – of vervalt mogelijk – door het overlijden van de erflater het recht op
family life, maar daar staat los van dat het bestemmen van een nalatenschap bij uiterste wilsbeschikking weldegelijk onder
family lifevalt, kennelijk ook als de kinderen zich naderhand op art. 8 EVRM Pro beroepen en dus niet de erflater zelf. Ik citeer uit dat arrest:
family lifebestaat) al dan niet erfrechtelijk te bevoordelen. Anderszijds betreft de belasting van een nalatenschap een omstandigheid die opkomt nadat het testament (de
family-life-handeling’) is gemaakt en heeft het ontbreken van de familierechtelijke betrekking erflater verder niet gehinderd belanghebbende (alsnog) in zijn testament tot erfgenaam te benoemen, zodat het gezinsleven niet was verstoord.
fair balance-toets en dus precies om de toets die de Hoge Raad in de hiervoor geciteerde rechtsoverwegingen verwoordt. De
fair balancewordt niet gerespecteerd indien een nationaal stelsel niet strookt met het in art. 14 EVRM Pro neergelegde discriminatieverbod.
family life. Ik meen daarom dat vanuit dat principe biologische kinderen die
family lifehebben met hun vader en kinderen van een juridische vader gelijke gevallen zijn die volgens de SW ongelijk worden behandeld. Het verschillend behandelen van deze gelijke gevallen, is discriminatoir en daardoor een schending van art. 14 EVRM Pro, in verbinding met art. 1 EP Pro, als geen rechtvaardiging bestaat voor die ongelijke behandeling, waarover hierna meer (6.27 e.v.).
family lifekan de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde bepalingen van de SW als gelijke gevallen moeten worden beschouwd in mijn optiek niet zonder meer bevestigend worden beantwoord. [90] Ter zake van die band zou kunnen worden betoogd dat het biologische kind met wie geen
family lifebestaat vanuit het buitenkansprincipe verder in verwantschap staat dan het kind van de juridische vader. Het anders behandelen van een dergelijk kind ten opzichte van kinderen met wie die juridische betrekking wel bestaat, zou vanuit die gedachte daarom op zichzelf nog kunnen passen binnen de beoordelingsruimte die een wetgever heeft. [91]
family lifeeen aanspraak tot het doen ontstaan van een familierechtelijke betrekking meebrengt, doch dat beperkingen aan dat ontstaan kunnen worden gesteld: [92]
family lifehet uitgangspunt is van het Nederlandse afstammingsrecht, zijn er situaties denkbaar waarin het – ondanks biologische afstamming en
family life– niet mogelijk is een familierechtelijke betrekking tot stand te brengen tussen ouder en kind. Dit doet zich voor wanneer er al twee juridische ouders zijn. Zo zal het voor een biologische vader onmogelijk zijn om volgens de Nederlandse wet een kind te erkennen of het ouderschap gerechtelijk te laten vaststellen indien het kind al twee ouders heeft (artt. 1:204(1)e en 1:207(2)a BW). De parlementaire geschiedenis licht helaas niet toe waarom de inmenging in
family lifedoor de ‘twee-ouder-regel’ wordt gerechtvaardigd. [93] Ik heb althans geen specifieke verklaring gevonden waarom een kind volgens de Nederlandse wet maximaal twee ouders kan hebben; het is eenvoudigweg het uitgangspunt en lijkt voornamelijk te zijn gebaseerd op traditionele gedachten.
living instrument. [100] Gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen met betrekking tot meerouderschap, verwacht ik dat de voorliggende zaak geen unicum is. Het is slechts een kwestie van tijd dat zaken waarin feitelijk sprake is van meerouderschap (bijvoorbeeld twee moeders die gebruikmaken van een donorvader, die gezamenlijk, al dan niet in co-ouderschap, een kind opvoeden) de civiele of fiscale kamer van de Hoge Raad zullen bereiken. Ook in die zaken zal de vraag naar voren komen hoe de relatie tussen het kind en de biologische ouder fiscaalrechtelijk moet worden beschouwd.
family lifebeperkt de wetgever niet om – binnen de grenzen van art. 8(2) EVRM – afwegingen te maken in civiele regelgeving, waarbij hij een zekere
margin of appreciationheeft. Ik verwijs in dit verband naar
HR NJ 1995, 468en
HR NJ 1997, 483(6.6-6.7).
HR NJ 1995, 468en
HR NJ 1997, 483zien louter op de afwegingen met betrekking tot de regeling in het civiele recht. Dat bij de civielrechtelijke vormgeving diverse afwegingen van familierechtelijke (c.q. erfrechtelijke) aard een rol spelen, acht ik evident. Die civielrechtelijke afwegingen moeten echter worden onderscheiden van de fiscaalrechtelijke, aangezien de erfrechtelijke belasting geenszins invloed heeft op de civielrechtelijke betrekkingen. Zij volgt pas nadat (civielrechtelijk) vaststaat dat iemand van een ander heeft verkregen en is beoordeeld of de verkrijger een kind of afstammeling is voor de SW en is dus alleen van belang voor heffingsdoeleinden. De afwegingen en gevoeligheden die spelen in het civielrechtelijke wetgevingsproces kunnen daarom in mijn ogen niet voetstoots worden opgevoerd als rechtvaardiging voor een belastingbreed beperkt kindbegrip. Een (eventuele) fiscale aanvullende regeling en de civiele regelgeving bijten elkaar niet, zo volgt ook uit de eerdergenoemde fictiebepalingen van art. 19 SW Pro.
family lifeheeft aan een lagere vrijstelling en een hoger belastingtarief dan van kinderen met wie hij een juridische afstammingsband (de familierechtelijke betrekking) heeft, discriminatoir is als geen rechtvaardigingsgrond bestaat voor die ongelijke behandeling (6.24). Deze rechtvaardigingsvraag bespreek ik voor de specifieke casus van belanghebbende hierna.
Camp and Bourimi v. The Netherlands [102] had de biologische vader van een kind dat buiten huwelijk werd geboren, door zijn (onverwachtse) dood het kind niet kunnen erkennen. Ik maak uit de overwegingen van het EHRM op dat die situatie volgens het EHRM effectief overeenkomt met een onderscheid tussen kinderen die binnen en buiten het huwelijk worden geboren. Die gedachtegang komt mij niet vreemd voor, aangezien een kind dat binnen een huwelijk wordt geboren volgens het Nederlandse recht niet erkend hoeft te worden, zodat de bij ontbreken van erkenning opkomende (erfrechtelijke) beperkingen in essentie zijn verbonden aan de omstandigheid dat het kind buiten het huwelijk is geboren. Het EHRM komt tot het oordeel dat de onmogelijkheid voor het kind (Soufian) om van zijn biologische vader te erven – te weten door het ontbreken van een familierechtelijke betrekking tussen het kind en zijn biologische vader – een verboden discriminatie meebrengt tussen kinderen die binnen en buiten een huwelijk werden geboren. Ik citeer het EHRM:
Camp and Bourimi v. The Netherlandsvolgt – dat de rechtspraak van het EHRM over het onderscheid tussen binnen- en buitenechtelijke kinderen
mutatis mutandisvan toepassing is. Die rechtspraak brengt mee dat zeer gewichtige redenen (“very weighty reasons”) moeten worden aangevoerd voordat een verschil in behandeling als verenigbaar met het EVRM kan worden beschouwd. [106]
family lifehad en die hem ook had willen erkennen, ware het niet dat civielrechtelijk geen mogelijkheid (meer) bestond om die juridische band (de familierechtelijke betrekking) tot stand te brengen. Die onmogelijkheid werd aldus aanvankelijk veroorzaakt doordat de moeder van belanghebbende niet wilde instemmen met de erkenning van belanghebbende door erflater. De wet vereiste een dergelijke instemming en erflater had naar de rechter gekund voor vervangende goedkeuring (art. 1:204 BW Pro), maar heeft dat niet gedaan. Pas later – toen de nieuwe partner van moeder belanghebbende had erkend – was het voor erflater als directe consequentie van de wet onmogelijk geworden om belanghebbende te erkennen. In zoverre was er geen categorische onmogelijkheid [107] voor erflater om belanghebbende te erkennen, maar hebben de feitelijke omstandigheden daartoe geleid. Belanghebbende had zelf (binnen de door de wet daarvoor gestelde termijn) ex art. 1:200(1)b BW het vaderschap van de partner van zijn moeder kunnen ontkennen omdat de partner niet zijn biologische vader is, waarna erflater belanghebbende wel had kunnen erkennen. Echter, ik meen dat over deze mogelijkheid niet te lichtvaardig moet worden gedacht. Hoewel de wet die mogelijkheid in theorie biedt, zou belanghebbende daarmee worden gedwongen een keuze te maken tussen personen waarmee hij op dat moment
family lifehad, te weten tussen zijn biologische vader en de juridische vader van wie niet in geschil is dat met hem eveneens sprake is van
family life. Ik meen dat deze route om alsnog een familierechtelijke betrekking tot stand te brengen met erflater in redelijkheid niet van belanghebbende kan worden gevergd, omdat daarmee zijn recht op
family lifemet de echtgenoot van zijn moeder in het gedrang zou komen. De consequentie dat belanghebbende een derde van erflater is voor de SW louter omdat de juridische betrekking met erflater ontbreekt, heeft aldus iets wrangs. Daarbij moet wel worden bedacht dat belanghebbende met zijn moeder en haar echtgenoot wel in familierechtelijke betrekking staat en aldus met beiden – ondanks dat hij met de echtgenoot niet een biologische band deelt – in een ouder-kind-relatie staat voor de SW. Dat zou overigens niet anders zijn als de echtgenoot belanghebbende niet zou hebben erkend. Op grond van art. 19(1)b SW wordt een stiefkind immers gelijkgesteld met een kind. Dus ook als de echtgenoot belanghebbende niet zou hebben erkend als kind, zou belanghebbende met toepassing van de kindvrijstelling en het lagere tarief kunnen erven van de echtgenoot. [108] Dat leidt tot de merkwaardige situatie dat als erflater belanghebbende had erkend en niet de echtgenoot, belanghebbende bij verkrijging van drie ‘ouders’ gebruik had kunnen maken van de kindvrijstelling en lagere tarieven volgens de SW, waar dit nu – door de feitelijke gang van zaken waarin de erflater belanghebbende niet kon erkennen – tweemaal is.
Mazurek v. France [109] betrof een kind dat in zijn erfrechtelijke rechten werd beperkt ten opzichte van zijn (half)broer, omdat hij buiten het huwelijk van de moeder (de erflater in dat geval) was geboren. Het EHRM overwoog dat – hoewel het beschermen van het traditionele gezin door de Staat op zichzelf kan worden gezien als een legitiem doel – de ongelijke behandeling tussen kinderen die binnen een huwelijk werden geboren en die daarbuiten werden geboren, in redelijke verhouding moet staan tot het doel dat wordt nagestreefd. Die proportionaliteitstoets werd volgens het EHRM niet doorstaan, waarbij het overweegt:
Mazurek v. Franceevenzeer heeft te gelden voor belanghebbende. Hij is immers niet verantwoordelijk voor de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat hij niet als kind wordt gezien van zijn biologische vader en aldus hoger wordt belast voor de erfrechtelijke verkrijging van zijn vader. Hij ondervindt negatieve consequenties van het feit dat hij niet binnen een huwelijk is geboren en zijn biologische vader niet in de mogelijkheid was hem te erkennen. Ik meen dat hij evenmin verantwoordelijk kan worden gehouden op de grond dat hij (binnen de wet daartoe gestelde termijnen) wel de mogelijkheid heeft gehad om zijn juridische vader te ontkennen en het vaderschap van zijn biologische vader gerechtelijk te laten vaststellen. Zoals hiervoor onder 6.41 opgemerkt legt die route in geval van belanghebbende evenzeer druk op
family life,zodat dit geen in realiteit van belanghebbende te verwachten keuze is. Daarbij staat ook niet vast dat belanghebbende de mogelijkheid nog had om die route te bewandelen nadat erflater was overleden en de consequenties voor de erfbelasting zichtbaar werden; de feiten lijken erop te wijzen dat de termijn om de erkenning door de juridische vader te laten vernietigen al was verstreken toen erflater overleed. [110] Dan zou belanghebbende dus tegengeworpen moeten worden dat hij tijdens leven van zijn biologische vader – binnen de door de wet gestelde termijn en in weerwil van
family lifemet zijn juridische vader – niet tegen de wettelijke regeling is ingegaan door zijn biologische vader alsnog aangewezen te krijgen als juridische vader. [111] Dat is een eis die aan kinderen die binnen een huwelijk zijn geboren niet wordt gesteld. Ik meen dat het stellen van een dergelijke eis aan belanghebbende – mede gelet op de
family lifemet zijn juridische vader – op zichzelf evenzeer op gespannen voet met art. 8 EVRM Pro zou staan en bovendien niet eraan afdoet dat belanghebbende geen invloed heeft gehad op de omstandigheden waaronder hij is geboren en aldus de aanvankelijke juridische betrekkingen tot stand zijn gekomen.
Mazurek v. France(en
Camp and Bourimi v. The Netherlands)ervan bewust dat belanghebbende slechts wordt geraakt door de financiële afwikkeling van de nalatenschap, en niet is beperkt in de mogelijkheid erfrechtelijk te verkrijgen (zie ook 6.15). Niettemin zie ik geen aanleiding aan dat onderscheid doorslaggevend gewicht toe te kennen. Of het nu gaat om de verkrijging
secof de belasting ervan, relevant is dat zowel op basis van artt. 14 EVRM in samenhang met art. 8 EVRM Pro als op basis van art. 14 EVRM Pro in samenhang met art. 1 EP Pro geen onderscheid mag worden gemaakt tussen kinderen die binnen en buiten een huwelijk zijn geboren en, naar analogie, dus ook niet tussen kinderen die automatisch een juridische band (de familierechtelijke betrekking) hebben met hun vader en kinderen met wie die juridische betrekking (al dan niet wegens feitelijke omstandigheden; zie voor de voorliggende zaak in 6.41) niet tot stand kan worden gebracht maar die wel
family lifehebben met hun biologische vader.
Inze v. Austria. In die zaak had de erflaatster twee kinderen, waarvan de ene binnen het huwelijk was geboren en de andere erbuiten. Zij liet een boerenbedrijf na aan de twee kinderen en de Oostenrijkse wet schreef voor dat dit aan een van de twee kinderen moest worden toebedeeld. Voor het geval de erfgenamen daar niet uit zouden komen, bepaalde de wet wie als ‘primaire’ en wie als ‘ondergeschikte’ erfgenaam moest worden aangemerkt. Buitenechtelijke kinderen hadden in die rangorde een ondergeschikte plaats ten opzichte van binnen-huwelijkse-kinderen, zodat het boerenbedrijf aan het andere kind zou worden toebedeeld. Het buitenechtelijke kind beriep zich op art. 14 EVRM Pro in samenhang met art. 1 EP Pro en het EHRM overwoog: [112]
family lifeheeft – te laten vaststellen, doet daaraan mijns inziens niet af (6.41-6.43).
Camp and Bourimi v. The Netherlands).
family life. Omdat het slechts gaat om verkennende rapportages, kan mijns inziens niet gezegd worden dat fiscale wetgeving wordt voorbereid; en omdat geen specifieke belangenafwegingen worden gesignaleerd, blijkt daaruit evenmin dat complexe keuzes voorliggen. Het gaat – zoals de wetgever ook aanvoert – fiscaal om de budgettaire effecten en mogelijk misbruik door ‘constructies met ouderschap’, [116] waarvoor zonodig antimisbruikregelingen moeten worden getroffen.
family lifedes te meer omdat aan de verkrijging door belanghebbende niet meer buitenkans ten grondslag ligt dan aan de verkrijging door een kind voor de SW (zie 6.24), zodat het buitenkanskarakter geen redelijke grond vormt, laat staan een zeer gewichtige reden, voor het onderscheid tussen de situatie van belanghebbende en elk ander kind volgens de SW – met inbegrip van de fictie ex art. 19 SW Pro. Ik zie geen ’very weighty reason’, slechts een budgettaire grond. [117] Bovendien zie ik in de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het EHRM een duidelijke en strikte lijn, waardoor ik meen dat ook als het gaat om de beoordelingsmarge van de wetgever in belastingzaken, een schending van de rechten van belanghebbende als kind zeer gedegen moeten worden afgewogen.