Uitspraak
[verweerster], gevestigd te [plaats] , verweerster in cassatie, kosteloos procederende ingevolge beschikking van de Hoge Raad van 16 oktober 1969, vertegenwoordigd door Mr. C.R.C. Wijckerheld Bisdom, mede advocaat bij de Hoge Raad.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiser loonbetaling en schadeloosstelling wegens een ontslag dat tijdens zijn ziekte is gegeven. Eiser stelt dat het ontslag nietig is omdat het is gegeven tijdens ziekte, wat volgens artikel 1639h lid 2 BW verboden is, en dat de werkgever niet de vereiste toestemming van het Gewestelijk Arbeidsbureau had verkregen zoals vereist door het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA 1945).
De kantonrechter en rechtbank oordeelden dat het ontslag niet nietig is, maar dat de werkgever schadeplichtig is wegens onrechtmatig ontslag. De rechtbank verklaarde eiser deels niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de zesmaandstermijn voor het instellen van vorderingen ex artikel 1639u BW.
De Hoge Raad bevestigt dat een ontslag tijdens ziekte niet automatisch nietig is, maar dat de werknemer kan kiezen voor schadevergoeding. Tevens stelt de Hoge Raad dat de verjaringstermijn aanvangt bij het einde van de dienstbetrekking, niet eerder, en dat de toestemming van het Gewestelijk Arbeidsbureau in dit geval correct is geïnterpreteerd. Het beroep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.