De zaak betreft een geschil tussen ABN AMRO en een werkneemster over de toekenning van een transitievergoeding na opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. ABN AMRO had de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 maart 2018 en de werkneemster vorderde een transitievergoeding, die ABN AMRO betwistte vanwege een suppletieregeling in de CAO die als gelijkwaardige voorziening werd gezien.
De kantonrechter verklaarde het verzoek van de werkneemster niet-ontvankelijk omdat het verzoek te laat was ingediend, na afloop van de vervaltermijn van drie maanden. Het hof vernietigde deze beslissing en oordeelde dat de arbeidsovereenkomst op 1 maart 2018 eindigde, waardoor het verzoek binnen de termijn was ingediend.
De Hoge Raad herzag dit oordeel en stelde vast dat bij opzegging per 1 maart 2018 de arbeidsovereenkomst eindigt op de laatste dag van de voorgaande maand, dus 28 februari 2018. De termijn voor het indienen van het verzoek tot transitievergoeding begint op de dag na het einde van het dienstverband en loopt drie maanden. Omdat het verzoekschrift op 30 mei 2018 werd ingediend, was dit na afloop van de termijn, waardoor de werkneemster niet-ontvankelijk is verklaard. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de suppletieregeling in de CAO niet als een gelijkwaardige voorziening kan worden aangemerkt. De beschikking van de kantonrechter werd bekrachtigd en de beschikkingen van het hof vernietigd.