Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 29 december 1972 betreffende de hem opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting over het jaar 1969;
Hoge Raad
Belanghebbende werd aanvankelijk aangeslagen voor inkomstenbelasting over 1969 op een belastbaar inkomen van ƒ 29.119,--, terwijl het juiste bedrag ƒ 291.119,-- bedroeg. Deze fout ontstond door een ambtelijk verzuim bij het Centraal bureau administratie heffing rijksbelastingen, waar een cijfer werd weggelaten bij het herschrijven van het bedrag op een elementennota.
Na verzending van het aanslagbiljet ontdekte de Inspecteur de fout en stelde belanghebbende hier direct van in kennis. Belanghebbende had de fout ook zelf al opgemerkt. De Inspecteur legde vervolgens een navorderingsaanslag op voor het juiste bedrag.
Het geschil betrof de vraag of navordering op grond van artikel 16 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen mogelijk is bij een ambtelijk verzuim. Het Hof oordeelde dat hoewel sprake was van ambtelijk verzuim, navordering toch geoorloofd is indien de belastingplichtige zich hiertegen verzet en de fout duidelijk en tijdig is gecommuniceerd.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep van belanghebbende. De wet en parlementaire geschiedenis maken duidelijk dat navordering niet mogelijk is bij ambtelijk verzuim tenzij de belastingplichtige niet in de waan is gebracht dat de aanslag juist was. Hier was de fout evident en werd belanghebbende tijdig geïnformeerd, zodat de navordering rechtmatig is.
Deze uitspraak benadrukt de balans tussen rechtszekerheid van de belastingplichtige en de noodzaak voor de fiscus om correcte belastingheffing te waarborgen, ook bij administratieve fouten.
Uitkomst: Navordering van te weinig geheven belasting is toegestaan ondanks ambtelijk verzuim door een administratieve fout.