Uitspraak
[X]te
tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 15 januari 1979 betreffende de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1972 tot en met 1975;
Hoge Raad
Belanghebbende, exploitant van een zelfbedieningswinkel, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de jaren 1972 tot en met 1975. De inspecteur had één aanslag opgelegd, terwijl volgens belanghebbende aparte aanslagen per jaar hadden moeten worden opgelegd.
Het geschil betrof de juiste berekening van de belasting over goederen met verschillende tarieven (4% en 14/16%). Belanghebbende had een methode toegepast die volgens de inspecteur onjuist was, omdat hij de winkelwaarde van de 4%-goederen niet correct had bepaald. De inspecteur corrigeerde dit met een gemiddeld verschil in bruto-winstpercentages van 6 punten tussen hoog- en laagbelaste goederen.
Het hof bevestigde de aanslag en verwierp het bewijs van belanghebbende dat het verschil slechts 3,6 punten zou zijn. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een te strenge bewijsmaatstaf had gehanteerd en vernietigde het arrest. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat het toegestaan is om één aanslag over meerdere jaren op te leggen. De zaak is verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.