ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ7724
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkstelling voormalig CEO voor niet ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen
De zaak betreft de aansprakelijkstelling van de voormalig CEO van een NV voor naheffingsaanslagen loonbelasting en premie volksverzekeringen (LB/PH) die niet door de NV zijn ingehouden en afgedragen over aan hem verleende opties en leningen. Na het faillissement van de NV heeft de Belastingdienst de CEO aansprakelijk gesteld op grond van artikel 38 lid 1 van Pro de Invorderingswet 1990.
De rechtbank heeft uitgebreid onderzoek gedaan, waaronder meerdere zittingen met getuigenverhoren en bestudering van optie- en leenovereenkomsten. De kern van het geschil betrof de vraag of de aansprakelijkstelling terecht was en de juiste berekening van de naheffingsaanslagen. De rechtbank oordeelt dat de CEO als werknemer in de zin van de IW 1990 moet worden aangemerkt en dat de aansprakelijkstelling niet wordt belemmerd door zijn buitenlandse woonplaats.
De rechtbank stelt vast dat een aantal opties buiten het heffingstijdvak zijn toegekend en dat niet alle kwijtscheldingen van leningen aannemelijk zijn gemaakt. Ook is vastgesteld dat de forfaitaire waardering van opties deels terecht is toegepast. De naheffingsaanslagen en daarmee de aansprakelijkstelling worden daarom verminderd. De rechtbank wijst het beroep van de CEO toe, vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de aansprakelijkheid tot een bedrag van € 164.309. Tevens veroordeelt zij de ontvanger tot vergoeding van proceskosten van € 9.116,24 en het griffierecht van € 37.
Uitkomst: De aansprakelijkstelling van de voormalig CEO wordt verminderd tot € 164.309 en de ontvanger wordt veroordeeld in de proceskosten.