Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 17 november 1982 betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting voor het jaar 1977;
Hoge Raad
Belanghebbende was werkzaam bij de Amsterdam-Rotterdam Bank N.V. en had een leaseovereenkomst gesloten voor een personenauto die noodzakelijk was voor zijn dienstbetrekking. De werkgever vergoedde alle autokosten, minus een vaste aftrek voor privégebruik. De inspecteur legde een navorderingsaanslag op op basis van de autokostenfictie uit artikel 42, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Hof oordeelde dat het niet uitmaakt of de auto juridisch eigendom is van de werkgever; het gaat om de feitelijke terbeschikkingstelling van de auto in verband met arbeid. Belanghebbende stelde dat het verschil tussen eigendom en lease door een concerndochter relevant was, maar het Hof handhaafde de navorderingsaanslag.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de wetgever met de autokostenfictie ook beoogt dat de regeling geldt indien de werkgever zich verbindt alle kosten van een door de werknemer gehuurde auto te vergoeden. Hierdoor wordt de werknemer gelijkgesteld met een ondernemer die een bedrijfsauto gebruikt. De klacht van belanghebbende werd verworpen en het beroep in cassatie afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de autokostenfictie van artikel 42, lid 3, Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing is op een leaseauto waarvan de kosten door de werkgever worden vergoed.