Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 3 maart 1982 betreffende na te melden op aangifte voldane watertoeristenbelasting van de gemeente [Z];
Hoge Raad
De zaak betreft de Verordening Watertoeristenbelasting 1978 van gemeente [Z], waarbij rondvaartondernemers belasting moesten betalen over het aantal niet in het bevolkingsregister ingeschreven personen aan boord. Belanghebbende betaalde deze belasting over april 1980 en stelde beroep in bij het Hof, dat de verordening verbindend achtte. De Hoge Raad oordeelt dat de verordening in strijd is met de gemeentewet en het gelijkheidsbeginsel.
De Hoge Raad stelt vast dat het begrip 'houden van verblijf' in artikel 276 van Pro de gemeentewet duidt op een verblijf van enige duurzaamheid, wat bij een rondvaart van circa één uur ontbreekt. De belasting op rondvaarten is feitelijk een voortzetting van de afgeschaft vermakelijkhedenbelasting, die discriminatoir is omdat zij slechts een beperkte groep ondernemers treft, terwijl vergelijkbare ondernemers worden uitgesloten.
Verder is de forfaitaire regeling die inwoners vrijstelt niet toegestaan omdat de wet geen bevoegdheid geeft om op die wijze het aantal belastingplichtigen te bepalen. Ook is het niet toegestaan naast de reeds bestaande toeristenbelasting een tweede toeristenbelasting te heffen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verklaart de verordening onverbindend, met teruggave van de betaalde belasting.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Verordening Watertoeristenbelasting 1978 onverbindend en gelast teruggave van de betaalde belasting.