Uitspraak
13 december 1985.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) vorderde verhaal op een aansprakelijke partij voor pensioenen die aan de weduwe en minderjarige zoon van een overleden ambtenaar waren uitgekeerd. De ambtenaar was overleden door een ongeval waarvoor de verweerder aansprakelijk werd gehouden. Het geschil betrof met name de hoogte van de schadevergoeding en de toepassing van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren (VOA).
De Hoge Raad bevestigde dat bij de schadebegroting op grond van artikel 1406 BW Pro rekening moet worden gehouden met de heffing van inkomstenbelasting en premies voor sociale verzekeringen, zodat de vergoeding de netto schade weerspiegelt. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het feit dat de weduwe in concubinaat leeft niet gelijkgesteld kan worden aan hertrouwen, waardoor de aansprakelijkheid niet automatisch eindigt.
Daarnaast werd vastgesteld dat de rechter bij de begroting van toekomstige schade rekening kan houden met een vermindering van de behoefte van de weduwe door het concubinaat, mits dit met voldoende zekerheid kan worden aangenomen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling terug naar het hof. De kosten van het cassatiegeding werden aan ABP opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van de juiste rechtsopvattingen over belastingheffing en concubinaat.