Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 11 maart 1983 betreffende de navorderingsaanslag in het recht van schenking, opgelegd ter zake van de in 1981 door
[Z]
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of het vestigen van een zakelijk recht van gebruik en bewoning door een dochter aan haar moeder, waarbij de huurovereenkomst werd beëindigd, kon worden aangemerkt als een schenking in de zin van de Successiewet 1956. De Inspecteur had een navorderingsaanslag opgelegd omdat hij dit als een schenking beschouwde. De dochter had bezwaar gemaakt en het Hof had de aanslag vernietigd omdat zij oordeelden dat geen sprake was van een schenking, mede omdat de dochter niet was verarmd door de transactie.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatie in tegen deze uitspraak en voerde aan dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat er geen schenking was vanwege het ontbreken van verarming bij de schenker. Volgens de Staatssecretaris is het vestigen van het recht om niet voldoende voor het aannemen van een schenking, ongeacht de verarming.
De Hoge Raad overwoog dat het Hof terecht had aangenomen dat door de vestiging van het recht van gebruik en bewoning de huurovereenkomst was beëindigd en dat de dochter het recht niet om niet had afgestaan. Hierdoor was geen sprake van een schenking in de zin van de Successiewet. Het middel van de Staatssecretaris faalde en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; geen schenking bij vestiging recht van gebruik en bewoning tegen afstand huurrecht.