Uitspraak
[woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring Het Schouw te Amsterdam.
15 april 1986.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak werd verdachte in hoger beroep veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf voor medeplegen van moord, ondanks dat hij niet lijfelijk aanwezig was bij het lossen van de dodelijke schoten. Het hof oordeelde dat verdachte nauw betrokken was bij het beramen van de moord, het bepalen van het tijdstip en het verschaffen van het moordwapen.
Verdachte voerde aan dat hij zich van het plan had gedistantieerd en niet aanwezig was bij het misdrijf, en dat zijn gedragingen hooguit tot medeplichtigheid konden leiden. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat bij een levensdelict medeplegen ook kan worden aangenomen zonder lijfelijke aanwezigheid, mits er sprake is van een nauwe samenwerking die uitsluitend op het doden van het slachtoffer gericht is.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aannam dat verdachte als mededader moet worden aangemerkt en dat dit oordeel niet op cassatie kan worden onderzocht. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van moord ondanks afwezigheid bij het schieten.