Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Leeuwardenvan 31 mei 1985 betreffende de hem voor het jaar 1982 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 1982 omdat hij kosten van de laatste ziekte en begrafeniskosten van zijn schoonvader en vader niet als buitengewone lasten had opgevoerd. Het hof oordeelde dat deze kosten niet aftrekbaar waren omdat zij uit de nalatenschap konden worden voldaan en dat de fiscus geen vertrouwen had gewekt dat deze posten aftrekbaar waren.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het niet relevant is of de kosten uit de nalatenschap kunnen worden voldaan, omdat het dragen van deze kosten een morele verplichting inhoudt en een vorm van verarming is. Ook voerde hij subsidiair aan dat het vertrouwen op een eerdere uitspraak van de Hoge Raad aftrek rechtvaardigt.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerdere rechtspraak waarin werd aangenomen dat kosten niet drukken indien zij uit de nalatenschap kunnen worden voldaan, niet langer passend is. De Hoge Raad stelt dat voor aftrek van buitengewone lasten niet van belang is uit welke middelen de belastingplichtige de uitgaven doet. De aansprakelijkheid van de erfgenaam vermindert zijn vermogen en de kosten drukken dus op hem.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en de uitspraak van de Inspecteur en stelde het belastbaar inkomen vast op een lager bedrag, rekening houdend met de aftrek van de betreffende kosten. Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat kosten van laatste ziekte en begrafeniskosten die door erfgenamen worden betaald, ook als deze uit de nalatenschap kunnen worden voldaan, als buitengewone lasten aftrekbaar zijn.