Uitspraak
[woonplaats].
23 juni 1987.
Hoge Raad
Op 15 februari 1986 werd bij klaagster ingebroken door betrokkene 1, die een groot aantal goederen uit haar woning ontvreemdde. De politie legde op 18 februari 1986 beslag op deze goederen bij betrokkene 1. Klaagster verzocht om opheffing van het beslag en teruggave van de goederen aan haar, aangezien zij de rechtmatige eigenaar is.
De rechtbank verklaarde het beklag van klaagster ongegrond, stellende dat het beslag terecht bij betrokkene 1 lag en dat de civielrechtelijke eigendomsverhoudingen niet in de strafrechtelijke raadkamerprocedure konden worden onderzocht. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de uitzondering op de hoofdregel van artikel 118 Wetboek Pro van Strafvordering niet van toepassing was, terwijl betrokkene 1 zelf had verklaard de goederen door diefstal aan klaagster te hebben onttrokken.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat de rechtbank niet had voldaan aan de vereiste om de beslagene te horen alvorens te beslissen over de teruggave aan een ander dan de beslagene. Gezien deze tekortkomingen vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling waarbij de beslagene gehoord moet worden.