Uitspraak
Eerste Kamer
Nr. 12.916
AT
a. dat de KNVB, als organisator van de normale competities, de bekercompetities alsmede van overige wedstrijden, gerechtigd is zich te verzetten tegen uitzending van reportages per televisie of radio van dergelijke door haar georganiseerde wedstrijden, althans dat zij gerechtigd is voor haar toestemming tot uitzending van reportages per televisie of radio van dergelijke door haar georganiseerde wedstrijden een vergoeding te verlangen alsmede dat de NOS jegens de KNVB onrechtmatig handelt ingeval zij reportages per televisie of radio uitzendt van enige door de KNVB georganiseerde wedstrijd indien zij daartoe van de KNVB geen toestemming heeft verkregen;
cvan het middel in het principale beroep dat opkomt tegen rechtsoverweging 4.9 van het Hof, waarin de NOS leest dat haar - ten onrechte - wel de voormelde stelling wordt toegeschreven.
eis weergegeven, aan die vordering ten grondslag had gelegd. Het Hof heeft daarbij blijkens zijn rechtsoverweging 4.18 beslissend geacht of sprake is van een "prestatieontlening" die "een zo belangrijk bestanddeel gaat vormen van de uitzending dat het karakter van berichtgeving op de achtergrond raakt”, hetgeen volgens het Hof het geval is wanneer - kort samengevat - het programma ten doel of als gevolg heeft dat het publiek ernaar luistert of kijkt vanwege de spanning die wordt opgewekt en die meebrengt dat men de wedstrijd meebeleeft. Het Hof heeft dientengevolge de toewijzing van de vordering beperkt tot de uitzendingen, waarbij dit laatste zich voordoet.
aoverwogene in hoger beroep aan de orde was. Niet is in te zien waarom de KNVB bij die vordering geen belang zou hebben. Daarbij verdient opmerking dat de NOS noch in de feitelijke instanties, noch in cassatie heeft aangevoerd dat de KNVB jegens zijn leden niet bevoegd zou zijn tot het uitoefenen van rechten als waarvan door hem primair de vaststelling wordt verlangd. Het tegendeel blijkt veeleer uit de door het Hof - ten overvloede - gereleveerde overeenkomsten als hiervoor onder 3 sub
domschreven, waaruit blijkt dat de NOS over de materie van radio- en televisieuitzendingen van de door de KNVB georganiseerde voetbalwedstrijden en de daarvoor te betalen vergoedingen gedurende een lange periode met de KNVB heeft onderhandeld en onder voormeld voorbehoud van rechten overeenkomsten heeft gesloten, waarbij de KNVB mede de belangen van zijn leden behartigde.
astellen het door de NOS Ingeroepen "recht van vrije nieuwsgaring" aan de orde.
afaalt eveneens. Het gaat ten onrechte ervan uit dat uit de artt. 7 GW, 10 EVRM, 19 lid 2 IVBPR en 19 Universele verklaring van de rechten van de mens, onderscheidenlijk art. 1401 BW Pro, een recht kan worden afgeleid om nieuws te garen en bericht te geven, dat meebrengt dat aan de NOS niet de toegang tot de door de KNVB georganiseerde wedstrijden kan worden geweigerd, ongeacht of de NOS bereid is om voor uitzendingen als waarop het geschil betrekking heeft, een vergoeding te betalen en ook ongeacht een eventueel beroep op het eigendoms- of gebruiksrecht van het stadion of terrein waar de wedstrijd wordt gehouden.
ben 4
cniet tot cassatie kunnen leiden.
een
foverwogene in dit geding door partijen is omlijnd - in hoeverre, kort samengevat, de exploitatie van wedstrijden, als door de KNVB georganiseerd, rechtens bescherming vindt tegen uitzendingen als hier aan de orde, ingeval het betalen van een redelijke vergoeding voor die uitzendingen wordt geweigerd. Bij de beantwoording van die vraag moet het volgende worden vooropgesteld.
foverwogene door de KNVB - terecht - wordt aanvaard.
gis aangegeven.
Dit brengt mee dat het middel in het incidentele beroep doel treft, voor zover het over voormelde onjuiste rechtsopvatting klaagt, en dat het voor het overige geen behandeling behoeft.
Tevens volgt hieruit dat de onderdelen 5-8 van het middel in het principale beroep falen bij gebrek aan belang, nu zij slechts elementen van 's Hofs redengeving betreffen die in het hiervoor aanvaarde stelsel niet meer aan de orde komen. Bij onderdeel 7
bverdient nog aantekening dat internationale gebruiken als daar bedoeld niet kunnen afdoen aan wat boven is overwogen omtrent de verhouding tussen KNVB en de clubs enerzijds en de NOS en andere zendgemachtigden anderzijds, terwijl in dit geding In het midden kan blijven welke betekenis aan zodanige gebruiken toekomt bij internationale sportevenementen.
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
in het incidentele beroep:
veroordeelt de NOS in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de KNVB begroot op f. 456,30 aan verschotten en f. 3.000,-- voor salaris.
23 oktober 1987.