ECLI:NL:HR:1988:AB8705

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 maart 1988
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
7273 rek.nr
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • vice-president Martens
  • Van den Blink
  • Hermans
  • Roelvink
  • Boekman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 RWNArt. 18 RWNArt. 19 RWNArt. 426 RvArt. 429f Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling of de Staat als belanghebbende kan optreden bij verzoek tot vaststelling Nederlanderschap

In deze zaak heeft verzoekster zich tot de Rechtbank te 's-Gravenhage gewend met het verzoek om vaststelling van haar Nederlanderschap op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (oud). De Rechtbank heeft de Staat der Nederlanden als belanghebbende in de procedure opgeroepen, hetgeen door verzoekster werd bestreden in cassatie.

De Hoge Raad heeft overwogen dat bij de vraag of iemand het Nederlanderschap bezit, het algemeen belang nauw betrokken is. Daarom is de Staat de meest aangewezen partij om zich, indien nodig, in het algemeen belang te verzetten tegen de toewijzing van een dergelijk verzoek. Tevens wijst de Hoge Raad op artikel 19 van Pro de Rijkswet, dat aan een onherroepelijke beschikking gegeven op grond van artikel 17, bindende werking geeft aan alle met de uitvoering van wettelijke regelingen belaste organen.

Hoewel het Openbaar Ministerie in de procedure wordt gehoord, is het geen vertegenwoordiger van de Staat noch belanghebbende. De Hoge Raad stelt dat de mogelijkheden voor de Staat om haar standpunt kenbaar te maken via het Openbaar Ministerie ontoereikend zijn en dat de wet en wetsgeschiedenis niet verhinderen dat de Staat als belanghebbende wordt aangemerkt en opgeroepen.

Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de beslissing van de Rechtbank dat de Staat als belanghebbende is opgeroepen, wordt bevestigd. Tevens wordt erkend dat de Staat ook in cassatie als belanghebbende kan optreden, ook indien zij in eerste aanleg niet is verschenen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Staat als belanghebbende terecht is opgeroepen bij het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap.

Uitspraak

4 maart 1988
Eerste Kamer
Rek.nr. 7273
HV
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [plaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: Mr. R.A.A. Duk.
1. Het geding in feitelijke instantie
In maart 1987 heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen [verzoekster] - zich gewend tot de Rechtbank te 's-Gravenhage met het verzoek vast te stellen, dat zij het Nederlanderschap bezit.
De Rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 18 mei 1987 de oproeping bevolen van verzoekster, van de Officier van Justitie in het arrondissement 's-Gravenhage, en van de Staat der Nederlanden als belanghebbende.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het cassatieberoep betreft uitsluitend de vraag of de Rechtbank terecht de Staat heeft aangemerkt als belanghebbende bij het door [verzoekster] ingediende verzoek tot vaststelling van haar bezit van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Staat terecht als zodanig heeft opgeroepen.
Bij de vraag of iemand al dan niet het Nederlanderschap bezit is, reeds in verband met tal van wettelijke regelingen, het algemeen belang altijd nauw betrokken. Daarom is de Staat de meest aangewezene om, zo daartoe aanleiding is, zich in het algemeen belang te verzetten tegen toewijzing van een verzoek als in art. 17 bedoeld Pro.
Daar komt nog bij dat ingevolge art. 19 van Pro genoemde Rijkswet aan een onherroepelijk geworden beschikking, gegeven met toepassing van art. 17, elk met de uitvoering van enige wettelijke regeling belast orgaan gebonden is.
Tegen deze achtergrond moet de Staat worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 18 en Pro van de art. 429f en 429h Rv., die ingevolge evengenoemde bepaling te dezen van toepassing zijn. Weliswaar is de tussenkomst van het Openbaar Ministerie voorgeschreven en wordt daarover in de Memorie van Antwoord op het ontwerp van de Rijkswet opgemerkt:
"Daardoor is verzekerd dat - zo nodig - het oordeel van de administratie tot gelding kan komen. Niets belet overigens, dat in de procedure een ambtenaar van het Ministerie van Justitie als deskundige wordt gehoord (Bij1. Hand. II 1982-1983, 16947 (R 1181) nr. 7, p. 33)" ,
maar dat doet aan het vorenoverwogene niet af. Het Openbaar Ministerie wordt gehoord, maar is noch vertegenwoordiger van de Staat noch belanghebbende en de in art. 18 lid 2 voorziene Pro beroepsregeling stelt dan ook voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie niet open. Wat er ook verder zij van de in het citaat voorgestelde mogelijkheden om het standpunt van de Staat ter kennis van de rechter te brengen, zij zijn in ieder geval ontoereikend te achten. Bezwaarlijk kan worden aangenomen dat op die manier de Staat zou worden beknot in de mogelijkheid welke deze aan zijn eerder omschreven positie ontleent om als belanghebbende op te treden. De tekst van de wet noopt daartoe niet, evenmin als de wetsgeschiedenis, voormeld citaat daarbij inbegrepen.
Op het vorenoverwogene stuit het middel in al zijn onderdelen af. Opmerking verdient nog, dat het middel in onderdeel 11 terecht de veronderstelling oppert dat de Staat als belanghebbende beroep in cassatie kan instellen, ook indien deze in eerste instantie niet is verschenen. In zoverre derogeert de bijzondere regeling van art. 18 lid 2 van Pro de Rijkswet aan de algemene regeling van art. 426 Rv Pro.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Van den Blink, Hermans, Roelvink en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op
4 maart 1988.