Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 7 mei 1986 betreffende de haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1980.
Hoge Raad
Belanghebbende, onderdeel van een concern met buitenlandse dochtermaatschappijen, had in 1979 een interim-dividend toegekend gekregen dat vanwege liquiditeitsgebrek pas in 1980 werd uitbetaald. Belanghebbende maakte in 1980 een koerswinst op deze dividendvordering.
Het geschil betrof de vraag of deze koerswinst kon delen in de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het Hof Arnhem oordeelde dat de koerswinst niet onder de vrijstelling viel omdat de dividendvordering in 1979 al geactiveerd had moeten worden, ondanks het uitstel van betaling.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het dividend pas in 1980 als winst verantwoord had mogen worden vanwege het onzekerheid over de verkoop van boorinstallaties die de liquiditeiten moesten verschaffen. De Hoge Raad verwierp dit en stelde dat volgens goed koopmansgebruik de vordering per 31 december 1979 geactiveerd moest worden, tenzij er sprake was van onzekerheid over betaling, wat niet was vastgesteld.
De Hoge Raad bevestigde daarmee dat de koerswinst op de dividendvordering niet als voordeel uit hoofde van een deelneming kan worden aangemerkt en wees het cassatieberoep af.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat koerswinst op een dividendvordering niet onder de deelnemingsvrijstelling valt en wijst het cassatieberoep af.