ECLI:NL:PHR:2003:AH8973
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over onzakelijke garantieverlening en informele kapitaalstorting in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een bankbedrijf, verstrekte in 1987 aanzienlijke kredieten aan Duitse dochtervennootschappen E en H, waarbij een Duitse dochter B garant stond voor een deel van deze leningen. Op 15 november 1988 liet belanghebbende zonder vergoeding de garanties van B vervallen, waardoor het volledige debiteurenrisico bij haar kwam te liggen. De Inspecteur corrigeerde de vennootschapsbelastingaangifte van 1988 met een naheffingsaanslag wegens onzakelijk handelen en het niet zakelijk verwerken van verliezen.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat het laten vervallen van de garanties onzakelijk was, maar dat niet alle gevolgen uit de fiscale winst moesten worden geëlimineerd; slechts een correctie ter grootte van een zakelijke vergoeding voor het vervallen van de garanties was gerechtvaardigd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, stellende dat het gehele verlies op de leningen niet aftrekbaar was en dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom niet het volledige verlies moest worden gecorrigeerd.
De Hoge Raad analyseerde de aard van de garanties en het risico dat belanghebbende op zich nam, en verwees naar eerdere jurisprudentie over informele kapitaalstortingen en onzakelijke risicoaanvaarding binnen concernverhoudingen. De Hoge Raad concludeerde dat het Hof onvoldoende duidelijkheid had verschaft over de zakelijkheid van het laten vervallen van de garanties en dat het gehele verlies op de leningen bij onzakelijk handelen buiten de winst moet blijven. De uitspraak van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander Hof voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling over de fiscale gevolgen van onzakelijk garantieverval.