Uitspraak
taatssecretaris van Financiëntegen de - op 18 mei 1987 in afschrift aan partijen verzonden - uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 2 april 1987 betreffende de aan
[Z]
Hoge Raad
Belanghebbende, gescheiden sinds 1979, had in 1984 zijn twee kinderen beurtelings in zijn huishouden, met een regeling waarbij de kinderen ongeveer de helft van de tijd bij hem verbleven tot 1 september, daarna uitsluitend bij de moeder. Het hof oordeelde dat de kinderen tot het huishouden van belanghebbende behoorden en kende hem de toeslag toe.
De inspecteur betwistte dit en stelde dat de toeslag slechts aan één ouder kan worden toegekend en dat het verblijf bij belanghebbende te beperkt was om van behoren tot het huishouden te spreken. De Hoge Raad overwoog dat het verblijf bij belanghebbende te beperkt en te bijkomstig was, mede gelet op de strekking van de wet die gericht is op kosten voor kinderopvang bij afwezigheid van de ouder.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bevestigde de uitspraak van de inspecteur, waarmee het recht op de toeslag werd ontzegd. De beslissing benadrukt dat een kind niet tegelijkertijd tot twee huishoudens kan behoren en dat de feitelijke verblijfsduur en de praktische uitvoering bepalend zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de kinderen niet tot het huishouden van belanghebbende behoorden, waardoor geen recht bestaat op de aanvullende alleenstaande-ouder-toeslag.