ECLI:NL:HR:2001:AD5044
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen recht op alleenstaande-ouderaftrek bij onvoldoende verblijf kind
Belanghebbende kreeg voor 1997 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met toepassing van tariefgroep 2. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde dat zijn dochter meer dan zes maanden tot zijn huishouden behoorde en dat hij daarom recht had op de aanvullende alleenstaande-ouderaftrek.
De dochter verbleef door de week bij de ex-echtgenote van belanghebbende, die kinderbijslag ontving, en bracht de weekenden bij belanghebbende door. Het Hof oordeelde dat het verblijf bij belanghebbende te bijkomstig was om te spreken van behoren tot zijn huishouden, hetgeen de Hoge Raad bevestigde.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie dat bij niet samenwonende ouders het kind doorgaans ten minste 3 tot 3,5 dag per week in het huishouden van een ouder moet verblijven om te worden gerekend tot dat huishouden. Het feit dat de dochter ook vakanties bij belanghebbende doorbracht, leidt niet tot een ander oordeel.
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst het recht op alleenstaande-ouderaftrek af. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; belanghebbende heeft geen recht op de alleenstaande-ouderaftrek.