Uitspraak
19 oktober 1990.
Hoge Raad
Verzoekster wilde met een persoon van hetzelfde geslacht trouwen en verzocht de rechtbank om medewerking van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Zowel de rechtbank als het hof wezen dit verzoek af omdat de Nederlandse wet het huwelijk beperkt tot personen van verschillend geslacht.
In cassatie stelde verzoekster dat de wet het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet verbiedt of dat deze wet buiten toepassing moet blijven wegens strijd met internationale verdragsbepalingen, waaronder het EVRM en IVBPR.
De Hoge Raad oordeelde dat de tekst en strekking van de Nederlandse wet het huwelijk als een verbintenis tussen man en vrouw ziet, en dat latere maatschappelijke ontwikkelingen dit niet kunnen wijzigen zonder wetswijziging. Ook is het recht om te huwen geregeld in art. 12 EVRM Pro, dat volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens alleen betrekking heeft op heteroseksuele huwelijken.
De Hoge Raad concludeerde dat de wettelijke regeling niet in strijd is met de genoemde mensenrechtenverdragen en dat het onderscheid tussen hetero- en homoseksuele huwelijken gerechtvaardigd is. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet is toegestaan en wijst het cassatieberoep af.