Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
grondrechten.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
Cassatieklachten
Goodwin/Verenigd Koninkrijkzet het EHRM nader uiteen:
Chapman v. the United Kingdom[GC], no. 27238/95, ECHR 2001-I, § 70). However, since the Convention is first and foremost a system for the protection of human rights, the Court must have regard to the changing conditions within the respondent State and within Contracting States generally and respond, for example, to any evolving convergence as to the standards to be achieved (see, amongst other authorities, the Cossey judgment, p. 14, § 35, and
Stafford v. the United Kingdom[GC], no. 46295/99, judgment of 28 May 2002, to be published in ECHR 2002-, §§ 67-68). It is of crucial importance that the Convention is interpreted and applied in a manner which renders its rights practical and effective, not theoretical and illusory. A failure by the Court to maintain a dynamic and evolutive approach would indeed risk rendering it a bar to reform or improvement (see the above-cited
Stafford v. the United Kingdomjudgment, § 68). In the present context the Court has, on several occasions since 1986, signalled its consciousness of the serious problems facing transsexuals and stressed the importance of keeping the need for appropriate legal measures in this area under review (see the Rees judgment, § 47; the Cossey judgment, § 42; the Sheffield and Horsham judgment, § 60).
Tyrer v. the United Kingdomjudgment of 25 April 1978, Series A no. 26, § 31, and subsequent case-law).” [20]
present-day conditions(‘
as matters stand’) op haar plaats is. Zijn oordeel over het geregistreerd partnerschap heeft die ontwikkeling de afgelopen jaren al ondergaan, zoals uit het voorgaande blijkt.
6.(…) Er zijn verschillende argumenten die pleiten voor toetsing van landsverordeningen aan de grondrechten in de Staatsregeling:
Bovendien moet de bijzondere betekenis van de grondrechten niet slechts op symbolische wijze tot uiting komen, namelijk door plaatsing in het eerste hoofdstuk van de Staatsregeling, maar moet de bijzondere betekenis ook door een toetsingsbevoegdheid tot uitdrukking worden gebracht. Het feit dat de rechter daardoor bij politieke strijdvragen kan worden betrokken is ons inziens van wezenlijk minder belang dan de realisatie van de rechtstaatsgedachte, waarbij o.a. iedere burger zijn rechten ook tegenover de overheid kan afdwingen.” [26]
Rechterlijke toetsing van wettelijke voorschriften, waaronder landsverordeningen, aan de grondrechten in het voorgesteld hoofdstuk I kan een goede bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden. Het is echter van groot belang dat de rechter terughoudend is in het gebruik van deze bevoegdheid, in het bijzonder bij de toetsing van landsverordeningen. Landsverordeningen zijn het resultaat van gemeenschappelijk overleg tussen de hoogste staatsorganen, regering en Staten. Deze wetgevende organen zijn door hun benoeming en verkiezing aangewezen om het wetgevende beleid te bepalen.
De rechter heeft de taak deze wetgeving te interpreteren en door middel van toetsing eventueel te corrigeren. Zijn positie is in het proces van wettelijke rechtsvorming secundair. De voordelen van rechterlijke toetsing zouden naar onze mening niet opwegen tegen de nadelen, indien rechterlijke toetsing van landsverordeningen zou leiden tot een verstoring van de juiste verhouding tussen wetgeving en rechter. Hierdoor zou het parlementair-democratisch beginsel worden ondergraven. Een te ruime toepassing van de bevoegdheid zou verder de rechterlijke onafhankelijkheid kunnen ondergraven, niet alleen in toetsingsvragen maar – als weerslag van problemen op dat terrein – eveneens bij de verrichting van de gehele rechterlijke taak. Het zou verder de rechtszekerheid ernstig kunnen schaden. Een terughoudende toepassing van de toetsingsbevoegdheid is verder wenselijk met het oog op de goede functionering van de rechtspraak krachtens de Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba en van de cassatierechtspraak van de Hoge Raad.
Wat betreft de formulering is aansluiting gezocht bij artikel 94 van Pro de Nederlandse grondwet.Hier is echter een ruimere formulering gehanteerd dan in de Nederlandse grondwet, aangezien wij niet gekozen hebben voor de zinsnede “een ieder verbindende bepalingen” maar voor “bepalingen”. Een groot aantal bepalingen van het eerste hoofdstuk bevat immers niet alleen rechten voor de burgers maar ook normen voor de wetgever, zonder dat er sprake is van een recht voor de burger. Het kan b.v. zo zijn dat het grondrechtsartikel de wetgever opdraagt een bepaalde materie te regelen maar dan wel onder bepaalde voorwaarden, zie bijvoorbeeld het vijfde lid van artikel I.20. De rechter zal dan op basis van het onderhavige artikel kunnen beoordelen of de wetgever binnen dit soort door de Staatsregeling gestelde grenzen is gebleven. Daarnaast zal de rechter in het algemeen ook moeten letten op de vraag of slechts dat orgaan de (grondrechten beperkende) regels stelt, dat daartoe volgens de Staatsregeling bevoegd is of kan zijn.”
geen toepassing vindenindien deze toepassing niet verenigbaar is’ met een van de aangewezen grondrechten (cursivering toegevoegd), ontleend aan het – naar hiervoor in 3.8 bleek: ook voor Curaçao en Aruba geldende – art. 94 van Pro de Nederlandse Grondwet, dat bepaalt dat ‘wettelijke voorschriften
geen toepassing vindenindien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties’ (opnieuw cursivering toegevoegd).
In dit verband zij opgemerkt, dat het gebod van gelijke behandeling in gelijke gevallen voor de wetgever een extra gewicht krijgt, nu de rechter de bevoegdheid krijgt daden van de wetgever te beoordelen op hun grondwettigheid waar het betreft de klassieke grondrechten (artikel 101).
In dit verband zij opgemerkt, dat het gebod van gelijke behandeling in gelijke gevallen voor de wetgever een extra gewicht krijgt, nu de rechter de bevoegdheid krijgt daden van de wetgever te beoordelen op hun grondwettigheid waar het betreft de grondrechten. (…) In de tweede volzin is het discriminatieverbod opgenomen. Het betreft hier een aanscherping van het gebod tot gelijke behandeling. Ongelijke behandeling op de daar genoemde gronden is niet toegestaan, tenzij daarvoor gerechtvaardigde, in het algemeen rechtsbewustzijn levende overtuigingen zijn aan te voeren. Om het begrip discriminatie wat nader vorm te geven lijkt het zinvol aansluiting te zoeken bij reeds gegeven omschrijvingen in toelichtende teksten, literatuur en jurisprudentie met betrekking tot dit begrip. Discriminatie heeft betrekking op kenmerken of eigenschappen van (groepen van) personen, die deze óf helemaal niet kunnen afleggen, óf niet kunnen afleggen zonder daarmede schade te betrokkenen aan de eigen persoonlijkheid (…).” [31]
rechtsgevolgen(zie voor dat laatste rov. 3.3.4, slot). Nu de BES-eilanden sinds 2010 bij Nederland horen, valt ook een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht dat op die eilanden is gesloten, onder deze werking van art. 40 Statuut Pro.
present-day conditions’ (‘
as matters stand’) dat meebrengen (zie hiervoor in 3.18).
Last but not leastwijst naar mijn mening ook het feit dat het cassatieberoep van het Land zich niet keert tegen het oordeel van het hof dat sprake is van discriminatie, op die acceptatie. De regering van het Land meent kennelijk dat inmiddels onvoldoende argumenten bestaan voor die bestrijding of voor die bestrijding bestaat in dit stadium niet voldoende politieke steun meer. Overigens had het, mede gelet op de vaststellingen van het gerecht in eerste aanleg, op de weg van het Land gelegen om te onderbouwen dat (toch nog altijd) van onvoldoende acceptatie sprake is. Het Land heeft op dat vlak echter niets aangevoerd. [35]
afwegingwaarbij ook (onder meer) de aard van het rechtsgebied een rol kan spelen (er dus sprake is van af te wegen variabelen). En dat blijkt ook wel uit de uitspraken waarin de Hoge Raad niet schroomt om zelf geheel of ten dele te voorzien in het rechtstekort, óók als het in rov. 3.15 eerste zin genoemde geval zich niet voordoet en soms ook zelfs als er wél een politieke keuze valt te maken (bijvoorbeeld omdat ingrijpen door de wetgever niet kan worden afgewacht). Ik verwijs naar de eerste twee voorbeelden die hiervoor in 3.42 zijn genoemd, naar het al aangehaalde HR 24 december 2021 en naar het Binnenvaartschip-arrest van de Hoge Raad uit 2018. [47] Ook kan worden gewezen op de vele rechtspraak waarin de Hoge Raad in vergaande mate aan rechtsvorming doet, buiten het geval dat sprake is van een rechtstekort door strijd met een hogere regeling zoals een internationale of constitutionele bepaling. [48]
onbevoegdverklaart om in het rechtstekort te voorzien, zo dat noodzakelijk mocht zijn. Voorts impliceert het samenstel van de door de Hoge Raad geformuleerde ‘beleidsregels’ (zoals Martens genoemde rechtsvindingscriteria aanduidt) volgens Martens een verzwaarde motiveringsplicht: de rechter die tot de slotsom komt dat hij het voorzien in het rechtstekort vooralsnog aan de wetgever dient te laten, heeft iets uit te leggen, met name duidelijk te maken welke oplossingen er zijn en waarom
hijdaartussen niet een keuze kan maken. [49]
constitutioneleplicht van de rechter.
leemte. Waar de wet niet geldt, kan ook geen sprake zijn van een contra legem toepassing of uitleg.
Onderdeel 1klaagt dat het hof heeft miskend dat HRC c.s. onvoldoende belang als bedoeld in art. 3:303 BW Pro Curaçao hebben bij hun vordering om voor recht te verklaren dat [verweerster 2] en [verweerster 3] met elkaar kunnen trouwen, omdat het vonnis van het hof kan worden herroepen ex art. 382 Rv Pro Curaçao. Met de mogelijkheid van herroeping zou dat huwelijk volgens het onderdeel op andere wijze en langer dan in de wet voorzien aantastbaar zijn en dus voor de gehuwden zelf en tegenover derden de rechtszekerheid en finaliteit missen die een op grond van de Curaçaose wet gesloten huwelijk kenmerken.
waarborgenvan de fundamentele menselijke rechten, vrijheden en de rechtszekerheid een koninkrijksaangelegenheid is op grond van art. 43 lid 2 van Pro het Statuut. Blijkens art. 43 lid 1 Statuut Pro zijn de fundamentele menselijke rechten, vrijheden en de rechtszekerheid juist aangelegenheden van de landen, die Curaçao dan ook terecht in zijn Staatsregeling heeft geregeld. Art. 43 lid 2 van Pro het Statuut komt pas aan de orde als een land zelf niet in staat is om een en ander te effectueren. Hiervan zal niet snel sprake zijn, aldus de wetgeschiedenis: het tekortschieten van enig landsorgaan is op zichzelf onvoldoende voor ingrijpen door het Koninkrijk. Slechts wanneer er geen redres in en door de eigen landsorganen zelf meer mogelijk is, kan ingrijpen door het Koninkrijk overwogen worden. Maar zelfs dan is het (dus) geen automatisme, aldus de toelichting. [57] Waar in dit geval de eigen rechter heeft ingegrepen (het hof), komt men aan ingrijpen door een koninkrijksorgaan niet toe, daargelaten nog dat de Hoge Raad een koninkrijksorgaan is.
iedereburger zijn rechten ook tegenover de overheid kan afdwingen (zie hiervoor in 3.22).