Conclusie
Artikel44
bis. (lid 1) In afwachting van de vaststelling van den aanslag (...) kan de inspecteur (...) aan belastingplichtigen die eene aangifte hebben gedaan, een voorloopigen aanslag overeenkomstig de aangifte opleggen. (...)
Artikel76
bis. (...) (lid 2) Indien een voorloopige aanslag is opgelegd, blijft van den later (...) vastgestelden aanslag een bedrag gelijk aan dat van den voorloopigen aanslag buiten invordering. (lid 3) Is de (...) aanslag lager dan de voorloopige aanslag, dan wordt deze door den inspecteur ambtshalve verminderd met het verschil.''
bisen 76
biswerden opgenomen met herhaling van de oorspronkelijke toelichting d.d. 13 mei 1918.
Artikel2) hield in:
Art.19):
Het feit, dat een voorloopige aanslag is opgelegd, geeft op zichzelf geen aanspraak op nauwkeurige verrekening van vóórheffingen. (...) Indien voor een belastingplichtige op grond van het bepaalde in art. 54, lid 1, Besluit Inkomstenbelasting, geen aanslag wordt vastgesteld (zuiver inkomen niet meer dan f 4000 (...)), behoort te worden aangenomen, dat de voorloopige aanslag ten onrechte is opgelegd. De inspecteur zal dezen aanslag derhalve moeten vernietigen (...) De toegepaste vóórheffingen treden dan dus in de plaats van een aanslag. (...)''
zeer aanmerkelijk [3] hooger is dan dat, hetwelk te zijner tijd op den definitieven aanslag zou moeten worden betaald, zoo geen voorloopige aanslag was opgelegd (...) wordt het schrijven als bezwaarschrift tegen den voorloopigen aanslag in behandeling genomen.''
Artikel 33. (1) Met afwijking in zoverre van de wet van (...) 1922 (...) wordt een voorloopige aanslag in de vermogensaanwasbelasting opgelegd:
a. zooveel mogelijk aan de hand van door den belastingplichtige verstrekte gegevens (...)
Artikel 36. (...) (5) Indien een aangifte is gedaan (...), kan (...) een bezwaarschrift worden ingediend tegen een voorloopigen aanslag (...)''
Artikel36):
Artikel29):
Artikelen10-36, 2e al.) (...) behalve tot bespoediging van de aanslagregeling strekt de bepaling voorts tot vaststelling van den duur gedurende welken nog een primitieve aanslag kan worden opgelegd (...)''
Artikel11, 2e al.) hield in:
a. (...)
1. Tot en met 1970(...) Was om welke reden dan ook wel een
voorlopige aanslag [8] doch geen definitieve aanslag opgelegd, dan moest deze bij beschikking worden vernietigd. Vorenbedoelde (...) vernietiging van voorlopige aanslagen (is) aan te merken als verrekening bij door de inspecteur genomen beschikking waarvan art. 15, lid 1, AWR spreekt.
2. Met ingang van 1971(...) (blz. 16) (...) Indien (...) een aanslag niet meer kan worden opgelegd op grond van art. 11 AWR Pro vanwege een ambtelijk verzuim, zou het naar wij menen geen bezwaar behoeven op te roepen indien de inspecteur de verrekening van voorheffing bij beschikking verricht. (...)''
6.4. (...) Is de definitieve aanslag opgelegd nadat de in art. 11, lid 3, AWR gestelde termijn voor het opleggen van een aanslag is verstreken, dan dient deze aanslag indien de belastingplichtige daarom verzoekt, te worden vernietigd (...) teruggaaf (...) van hetgeen op een voorlopige aanslag is betaald (...) behoeft (...) niet automatisch plaats te vinden.
6.5. (...) Blijft de definitieve aanslag achterwege, dan zal de belastingplichtige de inspecteur kunnen vragen de ingehouden loonbelasting bij beschikking ex art. 15 AWR Pro te (blz. 112) verrekenen. (...) Ook voor de verrekening van een voorlopige aanslag kan een dergelijk verzoek worden gedaan (...) Een verzoek om teruggaaf van ingehouden of op een voorlopige aanslag betaalde belasting behoeft slechts te worden gehonoreerd indien meer is ingehouden of betaald dan materieel was verschuldigd (...) De materiele belastingschuld dient bij de behandeling van een verzoek tot teruggaaf van hetgeen op voorlopige aanslag is betaald, te worden bepaald aan de hand van alle op dat moment bekende gegevens.''
Artikel 63. Als voorheffingen worden aangewezen de geheven dividendbelasting (en) geheven [10] loonbelasting (...)
Artikel 63a. 1. Geen aanslag wordt vastgesteld en verrekening van voorheffingen blijft achterwege indien geen belasting verschuldigd is. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: (...) b. ten aanzien van de binnenlandse belastingplichtige die aangifte heeft gedaan (...) Alsdan wordt de aanslag vastgesteld op nihil, en worden de voorheffingen verrekend (...)
Artikel 64. 1. Geen aanslag wordt vastgesteld en verrekening van voorheffingen blijft achterwege, indien noch het belastbare inkomen, noch het gezamenlijke bedrag van de aan inhouding van loonbelasting onderworpen inkomsten meer dan f 50.300 beloopt, en het gezamenlijke zuivere bedrag van de niet aan inhouding van loonbelasting onderworpen bestanddelen van het onzuivere inkomen (...) niet meer dan f 600 beloopt. (...)''
als betalingen [12] afgeboekt. (...)''