Uitspraak
27 maart 1992.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiser vergoeding van materiële en immateriële schade wegens wanprestatie door Ciba-Geigy na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. Eiser had in een brief van 11 januari 1986 finale kwijting verleend aan Ciba-Geigy, die door de Rechtbank werd aangenomen als geldige en bindende overeenkomst.
Eiser stelde dat hij deze kwijting had verleend onder dwang, bedrog en misbruik van omstandigheden. De Rechtbank verwierp deze stellingen, maar de Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beroep op dwang is afgewezen en dat het bewijsaanbod van eiser ten onrechte is geweigerd.
De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis van de Rechtbank Arnhem en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad Ciba-Geigy in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het vonnis van de Rechtbank Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.