ECLI:NL:HR:1992:ZC0627

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 1992
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
7930
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Royer
  • Bloembergen
  • Davids
  • Neleman
  • Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over openbaar vaarwater en exploitatie plezierboot bij Spaanse Water

In deze zaak stond centraal de vraag of Spanish Water Resort N.V. (SWR) gehouden was tot nakoming van haar verplichtingen uit een verkavelingsplan en of zij het gebruik van een plezierboot door de wederpartij vanuit diens kavel mocht verbieden. De feiten betroffen exploitatie van een plezierboot vanuit een woonhuis aan het Spaanse Water op Curaçao.

De rechtbank en het Hof hadden eerder de vorderingen van SWR afgewezen en het Hof had geoordeeld dat het Spaanse Water een openbaar vaarwater is waar de eigenaar moet dulden dat vaartuigen varen. SWR stelde in cassatie dat het beding in de koopovereenkomst het exploiteren van een boot zonder schriftelijke toestemming verbood.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had vastgesteld dat het beding niet zo uitgelegd kon worden dat het gebruik van een boot verboden was zonder toestemming. Verder was het Hof niet onbegrijpelijk in zijn oordeel dat het Spaanse Water een openbaar vaarwater is met een publieke bestemming, waardoor het gewone waterverkeer moet worden geduld.

Het cassatieberoep werd verworpen en SWR werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee werd bevestigd dat het recht op gebruik van het openbare vaarwater prevaleert boven de contractuele beperkingen die SWR wilde opleggen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Spanish Water Resort werd verworpen; het Spaanse Water is een openbaar vaarwater waar vaartuigen moeten worden geduld.

Uitspraak

5 juni 1992
Eerste Kamer
Rek.nr. 7930
Br.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
Spanish Water Resort N.V.,
gevestigd te Willemstad op Curaçao,
EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster,
advocaat: Mr. R.S. Meijer,
t e g e n
[verweerder],
wonende op Curaçao,
VERWEERDER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiser,
advocaat: Mr. A.W. Kist.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 20 september 1988 gedateerd verzoekschrift heeft verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao, met verzoek eiseres tot cassatie — verder te noemen SWR — te veroordelen tot nakoming van haar verplichtingen zoals door haar overeengekomen en bepaald in het door haar gepresenteerde verkavelingsplan, althans te verklaren voor recht dat SWR gehouden is haar verplichtingen zoals overeengekomen en bepaald in voormeld verkavelingsplan na te komen.
Nadat SWR tegen de vordering verweer had gevoerd en in reconventie gevorderd had [verweerder] te veroordelen tot nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst en [verweerder] te verbieden, enerzijds de ‘’[A]’’ vanuit zijn kavel no. [001] te exploiteren en anderzijds met zijn boot de ‘’[A]’’ over de wateren Jansofat, die Spanish Water Resort in eigendom toebehoren, te varen, heeft het gerecht in eerste aanleg bij vonnis van 27 november 1989 in conventie de vordering afgewezen en in reconventie SWR toegelaten getuigenbewijs te leveren. Bij vonnis van 23 april 1990 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg in reconventie de vordering afgewezen.
Tegen beide vonnissen heeft SWR hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, waarna [verweerder] incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
Bij vonnis van 20 november 1990 heeft het Hof — zowel in het principaal als in het incidenteel appel — de bestreden vonnissen bekrachtigd.
Het vonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van het Hof heeft SWR beroep in cassatie ingesteld, waarna [verweerder] voorwaardelijk incidenteel beroep heeft ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer verzocht de beroepen te verwerpen.
[verweerder] heeft zijn zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt in het principale beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak en in het incidentele beroep tot verwerping daarvan.
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1 De onderdelen 1 en 2 behelzen geen klachten.
Onderdeel 3.1.b richt zich tegen het oordeel van het Hof (rov. 5.2) dat in het beding inhoudende dat Wassenaar en opvolgende verkrijgers behoudens schriftelijke toestemming van SWR het gekochte voor geen ander doel mogen bestemmen dan voor het daarop optrekken of hebben van een stenen weekend- of woonhuis, ‘’niet valt te lezen’’ dat het zonder toestemming exploiteren van een boot is verboden.
Het onderdeel betoogt in de eerste plaats dat het Hof voorbij is gegaan aan een essentiële stelling van SWR dan wel de omvang van de rechtsstrijd heeft miskend doordat het geen aandacht heeft besteed aan de stelling van SWR dat het beding aan [verweerder] verbood een boot
vanuitzijn kavel of woonhuis te exploiteren. Dit betoog mist feitelijke grondslag. In rov. 3 stelt het Hof vast dat [verweerder] ‘’vanuit zijn woonhuis aan het Spaanse Water’’ een plezierboot exploiteert. Tegen deze achtergrond ligt het voor de hand dat het Hof ook in rov. 5 de exploitatie vanuit het woonhuis voor ogen heeft gehad.
Voor het overige komt het onderdeel tevergeefs op tegen de aan het Hof als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden uitlegging van het beding. Die uitlegging is niet onbegrijpelijk en is, gelet op hetgeen door SWR in dit verband was aangevoerd, niet onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel faalt dus.
Dit brengt mee dat onderdeel 3.1.a bij gebreke van belang evenmin tot cassatie kan leiden.
3.2 Onderdeel 3.2 komt tevergeefs op tegen de aan het Hof voorbehouden en niet onbegrijpelijke uitlegging van de gedingstukken van SWR.
3.3 Onderdeel 3.3 komt op tegen 's Hofs oordeel (rov. 5.2) dat ‘’het Spaanse Water is een openbaar vaarwater waarvan de eigenaar moet dulden dat vaartuigen daar varen’’.
Klaarblijkelijk heeft het Hof als een feit van algemene bekendheid aangemerkt dat het Spaanse Water een openbaar vaarwater is. Hieraan heeft het Hof terecht de conclusie verbonden dat de eigenaar moet dulden dat vaartuigen daar varen, waarmee het Hof tot uitdrukking brengt dat de eigenaar op grond van deze publieke bestemming moet dulden dat het gewone verkeer van dit vaarwater gebruik maakt. Het geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting dat het Hof het varen met de door [verweerder] geëxploiteerde plezierboot als gewoon waterverkeer heeft aangemerkt. Dit oordeel, dat verder niet op zijn juistheid kan worden getoetst, is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 3.3 stuit op een en ander in zijn geheel af.
3.4 Nu de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet is vervuld, komt dit beroep niet aan de orde.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt SWR in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 400,-- aan verschotten en ƒ 2.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de president Royer als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Davids, Neleman en Heemskerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Davids op
5 juni 1992.