Uitspraak
16 april 1993.
Hoge Raad
Eiser heeft de Staat gedagvaard om te voorkomen dat hij uit Nederland wordt verwijderd totdat in beroep is beslist op zijn aanvraag voor toelating als vluchteling of verblijfvergunning. De rechtbank wees de Staat bij vonnis van 19 november 1990 te verbieden tot verwijdering over te gaan zolang het herzieningsonderzoek niet was afgerond. Het hof vernietigde dit vonnis bij arrest van 19 december 1991 en wees de vordering af, met veroordeling van eiser in de kosten.
Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. Tijdens het cassatiegeding bleek dat eiser inmiddels een verblijfsvergunning had gekregen en de Nederlandse nationaliteit had verworven. De Staat bood aan af te zien van de kostenveroordeling en de griffierechten te vergoeden. Eiser stelde dat hij toch belang had bij cassatie om te voorkomen dat het arrest van het hof in andere zaken door de Staat zou worden gebruikt.
De Hoge Raad oordeelde dat dit aangevoerde belang onvoldoende was om ontvankelijkheid in cassatie te rechtvaardigen. Daarom verklaarde de Hoge Raad eiser niet ontvankelijk. Gezien de late toezegging van de Staat om de kosten niet te verhalen, besloot de Hoge Raad de kosten van het cassatiegeding te compenseren, zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Eiser wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens gebrek aan voldoende belang.