Uitspraak
erven van [A]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 26 september 1991 betreffende na te melden aan [A], overleden op 8 december 1989, opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het vierde kwartaal van 1987. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of de Ontvanger de betalingen correct heeft toegerekend niet ter beoordeling stond.
De Hoge Raad stelt dat de belastingrechter wel degelijk moet onderzoeken of de belastingplichtige de belasting al dan niet (gedeeltelijk) heeft voldaan, ook als de naheffingsaanslag is vastgesteld. Het Hof heeft onvoldoende onderzocht of afspraken over de toerekening van betalingen aan de schuld juist zijn nagekomen en of de belastingplichtige daardoor onterecht werd belast.
Verder benadrukt de Hoge Raad dat de Inspecteur niet gebonden is aan het standpunt van de Ontvanger omtrent de toerekening van betalingen. De zaak wordt daarom vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
De Hoge Raad gelast tevens terugbetaling van bepaalde griffierechten aan belanghebbende. Hiermee wordt de procedure voortgezet met een grondiger toetsing van de betalingstoerekening en de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de juiste toerekening van de betalingen.