Uitspraak
25 november 1994.
Hoge Raad
De Stichting Revalidatiecentrum De Trappenberg vorderde van het Koninkrijk Marokko betaling van kosten voor behandeling en verpleging van het dochtertje van een bij het consulaat-generaal werkzame conciërge, die ernstig letsel had opgelopen door een ongeval in het consulaatgebouw.
De Rechtbank wees de vordering af, maar het Gerechtshof Amsterdam vernietigde dit vonnis na bewijslevering en wees de vordering alsnog toe. Het Koninkrijk stelde beroep in cassatie in tegen deze arresten.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht het beroep op immuniteit van jurisdictie van het Koninkrijk had verworpen en dat het Hof de vordering ook op een later in de procedure ingebrachte grondslag mocht beoordelen, omdat het Koninkrijk zich daar niet tijdig tegen had verzet.
De toezegging van het Koninkrijk om de kosten te betalen werd niet als een overheidshandeling aangemerkt, zodat het beroep op immuniteit niet slaagde. Het cassatieberoep werd verworpen en het Koninkrijk werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het Koninkrijk Marokko werd verworpen en de vordering van De Trappenberg tot betaling van medische kosten werd toegewezen.