ECLI:NL:HR:1994:ZC5731
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over winst uit onderneming bij kamerverhuur en arbeidsinzet eigenaar
Belanghebbende verhuurde 18 kamers in twee panden waarvan één tevens bewoond werd door hemzelf en zijn gezin. Hij verrichtte zelf schoonmaak, onderhoud, huurincasso en administratie, en stelde incidenteel gereedschappen ter beschikking aan derden. Het geschil betrof de vraag of de voordelen uit deze activiteiten als winst uit onderneming of als inkomsten uit vermogen moesten worden aangemerkt.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de kamerverhuur en de daarbij behorende werkzaamheden niet als onderneming konden worden beschouwd, omdat de werkzaamheden niet verder gingen dan wat normaal is bij kamerverhuur en er geen sprake was van een organisatie die als onderneming kwalificeerde. Het Hof vond dat het feit dat belanghebbende de werkzaamheden zelf verrichtte zonder vergoeding niet tot winst uit onderneming leidde.
De Hoge Raad stelde vast dat het Hof onvoldoende had onderzocht of de aard en omvang van de door belanghebbende verrichte arbeid en het behaalde rendement het normale vermogensbeheer overstegen. Volgens de Hoge Raad is bij normaal vermogensbeheer geen sprake indien het rendabel maken van onroerende zaken mede geschiedt door arbeid van de eigenaar die onmiskenbaar gericht is op het behalen van voordelen die het normale rendement te boven gaan.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor nader onderzoek en beslissing met inachtneming van dit arrest. Tevens werd belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de aard en omvang van de door belanghebbende verrichte arbeid en het behaalde rendement.