Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/ Midden- en Kleinbedrijf/Kantoor Leeuwarden(hierna: de Inspecteur)
[Z](hierna: belanghebbende)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende, eigenaar van een portefeuille van 23 panden verhuurd aan studenten, was in geschil met de Inspecteur over de fiscale kwalificatie van de huuropbrengsten over de jaren 2007 tot en met 2011. De rechtbank had de aanslagen deels vernietigd en verminderd, waarbij werd geoordeeld dat sprake was van inkomen uit sparen en beleggen (box 3) en niet van winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden.
De Inspecteur stelde in hoger beroep dat sprake was van winst uit onderneming of subsidiair resultaat uit overige werkzaamheden, en dat hij bevoegd was navorderingsaanslagen op te leggen voor de jaren 2007 tot en met 2009. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende meer dan normaal actief vermogensbeheer verrichtte. De werkzaamheden die belanghebbende verrichtte, zoals huur innen en toezicht houden, waren volgens het Hof binnen normaal vermogensbeheer.
Het verzoek van de Inspecteur om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad werd afgewezen vanwege het feitelijke karakter van het geschil en de wens tot spoedige afdoening. Het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van de Inspecteur af. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en werd een griffierecht vastgesteld.
Belanghebbende's verzoek om vergoeding van immateriële schade werd afgewezen omdat de behandeling binnen redelijke termijn had plaatsgevonden. De uitspraak werd op 14 februari 2017 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de aanslagen worden vastgesteld overeenkomstig de aangiften van belanghebbende.