ECLI:NL:HR:1995:AA1531
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voorziening superheffing melkquotum in inkomstenbelasting 1989
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1989 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 92.911,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof Amsterdam werd deze aanslag gehandhaafd. Het geschil betrof de vraag of belanghebbende een voorziening mocht vormen voor een superheffing wegens overschrijding van het melkquotum.
Belanghebbende had in 1989 131.496 kg melk geleverd, waarbij het melkquotum voor het heffingsjaar 1989/1990 was vastgesteld op 146.758 kg. Hij had een voorziening van ƒ 18.000,-- gevormd voor een overschrijding van 24.250 kg, berekend als het verschil tussen geleverde melk en het naar rato toegestane quotum. Het Hof oordeelde dat belanghebbende vrij stond om in 1990 maatregelen te treffen om onder het quotum te blijven en dat goed koopmansgebruik niet toestaat om kosten of gederfde winst uit deze maatregelen in 1989 als voorziening te boeken.
Het cassatiemiddel stelde dat op balansdatum reeds een verplichting bestond om minder melk te produceren en dat op grond van het voorzichtigheidsbeginsel de opbrengsten nog niet als winst mochten worden verantwoord. De Hoge Raad verwierp dit, stellende dat op balansdatum geen redelijke kans bestond dat belanghebbende superheffing verschuldigd zou zijn en dat toekomstige winstbeperkingen geen grond vormen voor een voorziening in het voorgaande jaar.
De Hoge Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af en sprak het arrest uit op 29 maart 1995.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; geen voorziening voor superheffing in 1989 toegestaan.