Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
cash settlements. In 2008 heeft zij een dollartermijncontract gesloten van 30 mei 2008 t/m 3 december 2008. Tot het sluiten van dat contract was op de beide vorderingen een latente valutawinst gemaakt. De belanghebbende heeft daardoor met de
cash settlementeen verlies geleden. Op 3 december 2008 heeft zij een tweede valutatermijncontract voor hetzelfde bedrag gesloten met als vervaldatum 1 april 2009. Zij heeft wel het bij
cash settlementgerealiseerde verlies aangegeven, maar niet de daarmee samengaande ongerealiseerde winst op de dollarvorderingen. De Inspecteur meent dat de beide gezamenlijk moeten worden gewaardeerd, zodat geen verlies genomen kan worden. In beroep heeft hij voorts gesteld dat de valutawinst over de periode vóór het eerste termijncontract alsnog belast moet worden op grond van het realiteitsbeginsel.
cash settlementvan het eerste dollartermijncontract. De pre-
hedgevalutawinst op de korte dollarvordering (tot 30 mei 2008) is volgens de Rechtbank vast komen te staan bij het afsluiten van het tweede termijncontract op 3 december 2008 en kan daarom niet buiten beschouwing blijven. De pre-
hedgevalutawinst op de lange dollarvordering hoefde de belanghebbende niet te nemen omdat de vervaldatum daarvan verder in de toekomst lag en eind 2008 niet vaststond dat het daarop nog te lopen valutarisico tot de einddatum volledig afgedekt zou gaan worden.
cash settlementen de tegengestelde ongerealiseerde valutawinst op de vorderingen elkaar opheffen. Voor de vraag of die
hedgezeer effectief was, achtte hij de solvabiliteit van de Chileense debiteur niet relevant omdat die losstaat van het valutarisico. Het Hof heeft ook onderschreven de belastbaarheid van de door de
hedgedefinitief geworden valutawinst op de korte dollarvordering in de pre-
hedgeperiode.
hedgevalutawinst op de lange dollarvordering niet als vaststaand aangemerkt.
full hedge, maar ook een door
cash settlementgerealiseerd verlies uitsluitend in aftrek komt voor zover op alle in samenhang te waarderen posten gezamenlijk per saldo een verlies wordt geleden. (ii) Onjuist is ’s Hofs oordeel dat het valutarisico op de korte dollarvordering vanaf 3 december 2008 (tweede valutatermijncontract) volledig was afgedekt tot de aflossingsdatum en dat het risico van oninbaarheid geen verband houdt met de valutakoers. (iii) Het hof heeft de bewijslast ter zake van de omvang van de normale voorraad onjuist verdeeld. (iv) Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat de belanghebbende pas ter zitting de stelling heeft betrokken dat in elk geval een deel van de in 2007 en 2008 gesloten leveringscontracten
de factoeen vaste prijs voor leveringsrechten inhielden.
omvangvan belanghebbendes tweede schijf normale voorraad niet speculatief maar noodzakelijk is, voldoende gemotiveerd en rechtskundig niet onjuist. Dat de belanghebbende speculeert op prijsdaling neemt de noodzakelijkheid van drie maanden vooruit inkopen op zichzelf niet weg. Dan resteert de vraag of de
prijsafspraakvoor de voorinkopen speculatief is en zo ja, welke gevolgen dat heeft voor de aanvaardbaarheid van een tweede schijf. Het
Cacaobonen-arrest suggereert dat prijsrisico vereist is in de zin dat de waarde van de afnameverplichting en de prijs uiteen moeten kunnen lopen ten tijde van levering. Ook door vanaf 2008 géén vaste prijs meer overeen te komen, loopt de belanghebbende echter een prijsrisico.
Datprijsrisico manifesteert zich volgens de fiscus echter pas ná balansdatum en wordt niet opgeroepen door de bedrijfsvoering in 2008. Het Hof zag voldoende prijsrisico op de voorinkopen omdat (i) de afgesproken prijsformules er niet in resulteren dat de belanghebbende tegen de marktprijs op het moment van levering koopt en (ii) een hogere inkoopprijs na balansdatum niet voldoende correleert met een hogere verkoopprijs van de producten waarin het ingekochte aardgas wordt verwerkt.
à la baissebuiten die onbelaste winstreservering moeten blijven. Daar staat tegenover dat als de inkoopprijs na balansdatum
stijgt, de belanghebbende te weinig gereserveerd blijkt te hebben om schijnwinstbelasting geheel te voorkomen, maar dat risico hoort volgens de fiscus in een volgend jaar te vallen.
hedgelatente valutawinst op de lange dollarvordering nog niet definitief vaststond en daarom in 2008 nog niet tot de belastbare winst hoefde te worden gerekend.
in casude vraag is of het op balansdatum 2008 hoogstwaarschijnlijk was dat het verlies op de
cash settlementgecompenseerd zou worden door valutawinst op de dollarvorderingen. Met het Hof meen ik dat niet valt in te zien waarom verschil zou moeten worden gemaakt tussen tegengesteld samenhangende beurskoersbewegingen zoals in het
Market maker-arrest en tegengesteld samenhangende valutakoersbewegingen. Zijn rechtskundige maatstaf lijkt mij dus juist. Voor het overige lijkt mij zijn oordeel op dit punt feitelijk en geenszins onbegrijpelijk. Het Hof kon menen dat belanghebbendes gedragingen duiden op een
full hedgein elk geval tot balansdatum 31 december 2008, zodat een tot die datum geleden verlies niet kan worden genomen. Dat er ook andere dollarposities zijn, neemt niet de begrijpelijkheid van ’s Hofs oordeel weg dat de
full hedgespecifiek op deze twee dollarvorderingen zag. Het eerste incidentele middel faalt daarom mijns inziens.
full hedgein 2008 niet wegneemt en dat een misgelopen valutawinst als gevolg van mogelijke wanbetaling door de dollardebiteur een debiteurenresultaat is en niet een valutaresultaat. Ook het tweede incidentele middel faalt daarom mijns inziens.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
cash settlement(193.000.000/1,28613 -/- 193.000.000/1,53501 =) € 24.330.511 moeten betalen. Tegelijk is op de vordering, uitgaande van de koers van de dollar in euro’s per 3 december 2008, een ongerealiseerde koerswinst behaald ad € 25.538.428. Het positieve verschil met het verlies ad € 24.330.510 op termijncontract 1 bedraagt € 1.207.917.
spot priceten tijde van afname, zulks omdat de belanghebbende prijsdaling verwachtte. De belanghebbende heeft haar contractuele afnameverplichtingen op haar fiscale balans 2008 gewaardeerd tegen de op dat moment geldende
spot pricead € 0,22138, dus op € 77.483.000 (350.000.000 Nm3 * € 0,22138). Daardoor heeft ook de tweede ijzeren voorraadschijf een negatieve waarde: € 15.923.602 -/- € 77.483.000 = negatief € 61.559.398.
cash settlementvan valutatermijncontract 1 is niet aftrekbaar;
matchingbeginsel, zich tegen waardering van de voorinkopen als ijzeren voorraad.
hedge$ 193 mln
hedgevalutawinst op de ‘lange’ dollarvordering ad $ 169.660.000, maar op dit punt heeft de Rechtbank geen interne compensatie toegestaan omdat de vervaldatum van die tweede dollarvordering verder in de toekomst lag en de pre-
hedgevalutawinst op die vordering in 2008 nog niet definitief vaststond, anders dan bij de ‘korte’ vordering.
BNB2009/271 [7] volgt dat het ijzeren voorraadstelsel zijn doel en rechtvaardiging vindt in de wens om bij een oplopend prijspeil de bij verkoopopbrengst buiten de fiscale winst te laten voor zover deze moet worden besteed om de normale voorraad aan te vullen. De belanghebbende heeft de door haar verdedigde omvang van de normale voorraad (112.138.575 Nm3) niet aannemelijk gemaakt met een fysieke voorraad eind 2011 ad 81.202.916 Nm3 en een gemiddeld aanwezige voorraad ad 70.000.000 Nm3 in 2011, 2012 en 2013, nu feitelijk in 2005 t/m 2008 de manco’s per jaareinde 42%, 54%, 36% en 47% bedroegen. De Rechtbank heeft ook verworpen de subsidiaire stelling dat de normale voorraad 81.000.000 Nm3 zou belopen, nu die omvang slechts gebaseerd is op de situatie eind 2011. Omdat de inspecteur de door hem verdedigde omvang ad 66.000.000 Nm3 evenmin aannemelijk heeft gemaakt, heeft de Rechtbank de normale voorraad in goede justitie op 71.000.000 Nm3 gesteld. De correctie van de Inspecteur op dit punt moest dus deels teruggenomen worden:
hedgeeffectief is. Voor die vraag doet niet ter zake of op 31 december 2008 al dan niet duidelijk was of de debiteur in staat zou zijn op de aflossingsdata af te lossen, nu dat risico losstond van het valutarisico. Uw rechtspraak zegt niet, aldus het Hof, dat alleen courante effecten samenhangend worden gewaardeerd. R.o. 5.5.1 van het Cacaobonenarrest [9] (zie 4.4 hieronder) houdt juist in dat bepaalde vermogensbestanddelen ‘op overeenkomstige wijze’ moeten worden behandeld als is voldaan aan de voorwaarden voor samenhangende waardering. Dat is
in casuhet geval, aldus het Hof, ook al is het ene resultaat al gerealiseerd en het tegengestelde resultaat nog niet:
hedgevalutaresultaat ad € 356.674 op de ‘korte’ dollarvordering onderschreven en de daarvoor gegeven gronden tot de zijne gemaakt.
de factotot een vaste prijs leidde, heeft het Hof daarom als niet ter zake in het midden gelaten. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat een
full hedgevan de afnameverplichtingen zou bestaan. Het Hof zag, anders dan de Inspecteur, geen dubbele verliesneming op de afnameverplichtingen.
Het geding in cassatie
hedgevalutaresultaat op de dollarvordering ad $ 169.660.000 uitgesteld en het beroep op interne compensatie van de Inspecteur ten onrechte verworpen.
spot price; alsdan wordt zijns inziens geen prijsrisico gelopen. Dat de prijsstijging van de gasinkopen niet volledig wordt gecompenseerd door een navenante prijsstijging van de verkoopprijs van de producten waarin dat gas is verwerkt, doet volgens de Staatssecretaris niet ter zake. Het Hof miskent zijns inziens
hedgezeer effectief is en dat is het geval als op balansdatum hoogst waarschijnlijk is - zoals
in casu- dat de waardeontwikkelingen van de desbetreffende vermogensbestanddelen tegengesteld zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125%. De Staatssecretaris verwijst naar HR
BNB2009/271 en HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:635,
BNB2014/116.
hedgevalutawinst op de ‘lange’ dollarvordering ad $ 169.660.000 al in 2008 verantwoord moet worden. De volledige afdekking voor het restant van 2008 bracht mee dat zich een realisatie-moment voordeed bij het sluiten van dat termijncontract, ook als de in 2008 afgedekte ‘lange’ dollarvordering ná 2008 mogelijk niet (meer) afgedekt zou worden. Het Hof heeft volgens de Staatssecretaris:
vast staatof het valutarisico met betrekking tot de vordering gedurende de volledige resterende looptijd was afgedekt. Het gaat er gelet op de economische realiteit mijns inziens om of er op eindbalansdatum going concern zo goed als zeker is dat de dollarpositie door een vervolgcontract in de toekomst verder wordt afgedekt.”
verweer(
principaal) onderschrijft de belanghebbende ’s Hofs oordeel op de punten die de Staatssecretaris bestrijdt. Zij weerspreekt de stelling dat er in cassatie van zou moeten worden uitgegaan dat in geen van de relevante leveringscontracten vooraf een vaste prijs is afgesproken. Het Hof heeft haar stelling, die strekte tot het tegenovergestelde, immers als irrelevant in het midden gelaten, zodat niets van dien aard vast staat. Bij gegrondbevinding van het cassatiemiddel van de Staatssecretaris zou dus minstens verwijzing moeten volgen voor feitelijk onderzoek. De stelling dat de belanghebbende door de voorinkopen tot de normale voorraad te rekenen een verlies zou nemen dat nog niet bestaat, acht zij een in cassatie ontoelaatbaar novum, nu deze stelling niet dezelfde is als de door het Hof verworpen stelling dat de belanghebbende een dubbel verlies zou nemen. De belanghebbende ziet niet hoe de
hedge-jurisprudentie
in casuvan toepassing kan zijn op de voorinkopen. Inzake het tweede principale middel stelt de belanghebbende dat het realisatiebeginsel van goed koopmansgebruik belet dat reeds in 2008 winst wordt genomen op ongerealiseerd valutaresultaat op de ‘lange’ dollarvordering.
full hedge, maar ook een door
cash settlementdaadwerkelijk gerealiseerd koersverlies slechts genomen kan worden indien en voor zover op alle in samenhang te waarderen posten gezamenlijk per saldo een verlies wordt geleden; (ii) onjuist is ‘s Hofs oordeel dat vanaf 3 december 2008 (valutatermijncontract 2) het valutarisico op de ‘korte’ dollarvordering volledig was afgedekt tot aflossingsdatum en dat het risico van gedeeltelijke oninbaarheid geen verband houdt met het valutakoersrisico. Zij acht het toestaan van interne compensatie op dat punt daarom onterecht; (iii) het Hof heeft de bewijslast ter zake van de omvang van de normale voorraad ten onrechte op de belanghebbende gelegd en bovendien ten onrechte geoordeeld dat als zij niet (volledig) in dat bewijs zou slagen, de inspecteur de door hem verdedigde omvang van 66.000.000 Nm3 niet zou hoeven te bewijzen; (iv) ten onrechte heeft het Hof geoordeeld dat de belanghebbende pas ter zitting gesteld zou hebben dat uit de in eerste aanleg overgelegde gedingstukken volgt dat in elk geval een deel van de in 2007 en 2008 gesloten leveringscontracten
de factohebben geleid tot een vaste prijs voor leveringsrechten.
in casueen zeer effectieve
hedgezou voordoen zoals bedoeld in het
Market maker-arrest. [11] Onzekerheid over voldoening op aflossingsdatum acht zij, anders dan het Hof, wel degelijk relevant voor de vraag of de
hedgezeer effectief is. Uit het Cacaobonenarrest [12] volgt haars inziens dat slechts samenhangend gewaardeerd wordt bij ongerealiseerde tegengestelde resultaten, en in beginsel niet bij aan de ene kant gerealiseerde en aan de tegengestelde kant ongerealiseerde resultaten, behalve in zeer specifieke gevallen zoals die van het
Market maker-arrest.
de factohebben geleid tot een vaste prijs voor leveringsrechten, niet pas ter zitting van het Hof heeft betrokken.
beantwoordingvan het incidentele beroep opgemerkt ’s Hofs oordeel op alle door de belanghebbende bestreden punten te onderschrijven.
Samenhangende gerealiseerde en ongerealiseerde resultaten; Cacaobonen enMarket makers
Cacaobonen- en
Market maker-arresten - is de door principaal middel (i) aan de orde gestelde vraag of goed koopmansgebruik, met name het realiteitsbeginsel, er (ook) bij andere vermogensbestanddelen dan door één soort beursaandelen beheerste effecten toe noopt om een vermogensbestanddeel waarop het resultaat nog niet is gerealiseerd, samenhangend te waarderen met een tegengesteld in waarde bewegend vermogensbestanddeel waarop een (tegengesteld) resultaat is gerealiseerd dat de samenhang beëindigde. Ik geef eerst die bestaande rechtspraak weer.
BNB2004/214 [14] betrof een dollarschuld tegenover een dollarvordering met een andere looptijd. U oordeelde dat zij samenhangend gewaardeerd moesten worden voor de periode waarin de looptijden (wel) samenliepen:
BNB2008/26 [15] betrof aandelenbezit waarop de belanghebbende callopties had geschreven. Zij waardeerde de aandelen op kostprijs of lagere beurswaarde, maar de calloptie-verplichtingen op de ontvangen premie of hogere beurswaarde. Bij koersstijging van de aandelen leidde dat systeem tot verliesneming op de calloptieverplichting zonder winstneming op de aandelen. Dat achtte u niet aanvaardbaar:
Cacaobonenarrest HR BNB 2009/171 stelde u de volgende correlatievoorwaarde voor samenhangende waardering: [16]
hedgedoet zich voor als op balansdatum hoogstwaarschijnlijk is dat de waardeontwikkelingen van de cacao in de tegengestelde balansposten zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125%. Van der Geld (noot in
BNB2009/271) vroeg zich af of uw twee criteria niet als één voorwaarde moet worden opgevat en of het om zuiver objectieve samenhang gaat of ook subjectief bedoelde c.q. historische samenhang meedoen:
market makervan het gelijknamige arrest [17] streefde bij voortduring naar volledige uitdoving van koersrisico’s. Hij wilde niettemin verlies nemen op verkochte effecten waartegenover ongerealiseerde waardestijgingen stonden. U overwoog:
market maker, wiens bedrijfsvoering en voortbestaan aaneenhangen van maximale koersrisiconeutralisering, maar het impliceert mijns inziens dat ook andere tegengesteld in waarde bewegende posities zodanig kunnen samenhangen dat gerealiseerde en ongerealiseerde tegengestelde waardeontwikkelingen gesaldeerd moeten worden. Er zijn ook andere situaties dan die van
market makerswaarin het realiteitsbeginsel voorrang heeft boven het realisatiebeginsel.
BNB2014/116) is die mening toegedaan (zie punt 4.6):
JOR2014/188) merkte op dat het
Market maker-arrest blijft bij een van commerciële standaarden afwijkende opvatting van goed koopmansgebruik:
FED2014/36) zag in het
Market maker-arrest weinig nieuws, maar vestigde wel de aandacht op de
de factoverrekening van gerealiseerde verliezen met latente winsten en andersom en op de vraag welke betekenis toekomt aan rechtshandelingen ná balansdatum voor de waardering op balansdatum:
V-N2014/15.10 vatte het belangrijkste aspect van
Market maker-arrest als volgt samen:
5.Het ijzeren voorraadstelsel
BNB1954/128 in op het vaste-activa-karakter van de ijzeren voorraad en op de waardering van manco’s:
BNB1956/121 [20] gaf u de volgende handleiding voor fiscale toepassing van het ijzeren voorraadstelsel:
BNB1958/90 [23] ging onder meer over de vraag of de normale voorraad mocht worden herzien wegens verwachte duurzame stijging of daling van productie of afzet. De Staatssecretaris verzette zich tegen de aanvaarding door het Hof, van een stelsel waarin:
BNB1959/370 [24] betrof de vraag of de basisprijs per eenheid mocht worden gesteld op de inkoopprijs minus een door de overheid per eenheid verleende subsidie, dan wel die subsidie moest worden veronachtzaamd omdat zij kort na de balansdatum zou blijken te vervallen. U beantwoordde die vraag in de eerstgenoemde zin:
BNB1959/29: [25]
BNB1980/215 [26] oordeelde u ongemotiveerd maar denkelijk vanwege onoplosbare toerekeningsproblemen - en kennelijk tot ongenoegen van de BNB-annotator - dat voor de bepaling van de normale voorraad niet ter zake doet of de voorraad met eigen of vreemd vermogen wordt gefinancierd. Na een uiteenzetting van doel en rechtvaardiging van het stelsel overwoog u:
hedginggeciteerde
Cacaobonenarrest (
BNB2009/271) [27] betrof een belanghebbende die halffabricaten produceerde en verkocht met als grondstof cacaobonen. Zij dekte diverse risico’s op de economische voorraad cacaobonen af. De conclusie in die zaak beschreef dat als volgt:
forward purchases) bij gebreke van nog toekomstige oogst structureel in de tijd achterlopen bij de voorverkopen (
forward sales), verkeert de belanghebbende voortdurend in een
net shortpositie (meer verkocht dan gekocht). Uit de vastgestelde feiten volgt dat de fysiek aanwezige voorraad cacaobonenequivalenten (door de partijen ook genoemd: technische voorraad) op elk moment in 1996/1997 volledig was verkocht.
futures) om de (resterende) prijsrisico's op haar voorverkopen (op haar
net shortpositie) af te dekken. Door haar systeem van bepaling van de cumulatieve
flat priced position(de goederenpositie in cacaobonen-equivalenten) loopt zij over een lange tijdsduur - cumulatief over een aantal opeenvolgende toekomstige maanden bezien - nagenoeg geen prijsrisico's op de voorraden. Per kortere periode (
futuresmaanden) loopt zij naar haar zeggen wél significante risico's. Zij sluit valutatermijncontracten om koersrisico's op de in vreemde valuta afgesloten contracten te dekken.”
6.Beoordeling van de middelen
Vooraf
de factoal vast lagen bij het aangaan van de contracten, nu hij dat niet relevant achtte omdat hij al op andere gronden aannam dat de belanghebbende prijsrisico liep op haar voorinkopen. Hij is er wel van uitgegaan dat de afgesproken prijsformules er toe leidden dat de voor de voorinkopen te betalen prijzen mede spot-marktafhankelijk waren. Ook ik zal daarvan uitgaan.
spot priceten tijde van de toekomstige levering ná balansdatum überhaupt voorraad zijn (of slechts een vorderingsrecht), en zo ja, of zij in een ijzeren voorraad begrepen kunnen worden, nu de voorinkoper mogelijk niet als (voldoende) economische eigenaar kan worden gezien als hij niet tegen een vaste prijs voorinkoopt. Koopt hij tegen de spotmarktprijs ten tijde van de toekomstige levering, dan loopt hij op balansdatum nog geen risico van waardeverandering op een investering, al loopt hij wel het risico dat de prijs na balansdatum oploopt. Helaas is de feitelijke grondslag voor deze interessante principiële discussie enigszins vaag doordat het Hof het feitelijke prijseffect van de contractuele prijsformules in het midden heeft gelaten en slechts heeft vastgesteld dat zij een zeker en volgens hem voldoende prijsrisico op de voorinkopen meebrachten.
BNB1980/215 heeft u dit in de bedrijfseconomie destijds hevig bediscussieerde
issuefiscaalrechtelijk irrelevant verklaard, denkelijk in verband met niet anders dan arbitrair oplosbare financieringstoerekenings-problemen. Blijven staan is dat een
tijdelijkhogere voorraad als gevolg van de inkooppolitiek van het bedrijf of van de aard van de inkoopmarkt niet tot de normale voorraad behoort. Daaruit volgt dat niet tot de normale voorraad behoort voorraad die op speculatieve gronden word aangehouden of op termijn is gekocht.
omvangvan belanghebbendes tweede schijf normale voorraad niet speculatief maar noodzakelijk geacht, gelet op de zeer hoge volumes die in het productieproces gebruikt worden (dat wordt door de fiscus ook niet bestreden), de vereiste nauwkeurige planning van de te leveren hoeveelheden aardgas (ook bij de producenten ervan), de onmogelijkheid om dergelijke volumes op de spotmarkt in te kopen en het feit dat leveringsrechten ter zake van 350.000.000 Nm3 overeenkomen met ongeveer drie maanden productie. Dit feitelijke oordeel lijkt mij voldoende gemotiveerd en ik zie er rechtskundig geen onjuiste opvatting in. De Staatssecretaris meent dat het Hof onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan de stelling van de Inspecteur dat de inkoopcontracten weliswaar een voorwaarde zijn voor de continuïteit van belanghebbendes productieproces, maar de gecontracteerde volumes niet omdat zij voornamelijk corresponderen met de duur van de leveringsperiode uit de contracten. In de aanvulling op zijn hoger beroepschrift van 28 september 2015 heeft de Inspecteur een en ander als volgt geformuleerd:
BNB1958/90 in 5.6) om “de herberekening van den normalen voorraad zelfstandig te beoordelen en daaromtrent - zonodig in afwijking van de opvatting van de bedrijfsleiding - te beslissen.” Dat betekent echter niet dat de fiscus het mag zeggen. Ik begrijp niet goed waarom de Staatssecretaris niet begrijpelijk acht ’s Hofs feitelijke oordeel dat de ‘ijzeren inkoop’ drie maanden vooruit moet zien. Evenmin doorgrond ik de stelling dat enerzijds “het bestaan van de contracten (…) een voorwaarde voor de continuïteit van het productieproces (is)”, maar anderzijds “de volumes in de contracten (…) niet” omdat “deze hoeveelheden (voornamelijk) corresponderen (…) met de duur van de leveringsperiode uit de contracten” en slechts een “rekengrootheid” zouden zijn. Ik lees hierin dat de leveringscontracten cruciaal zijn voor de bedrijfscontinuïteit, maar hun inhoud niet. Dat kan ik niet volgen. Mogelijk bedoelt de fiscus dat hij de contracten slechts als reservering van volume ziet, maar de belanghebbende zal de gecontracteerde volumes wel degelijk moeten afnemen op de overeengekomen tijdstippen: het Hof heeft expliciet overwogen dat de belanghebbende verplicht is tot afname en ook daadwerkelijk afneemt. Mogelijk ook bedoelt de fiscus dat de gecontracteerde volumes bepaald worden door ‘de geaardheid van de inkoopmarkt’ (de spotmarkt kan de benodigde volumes immers niet aan) en niet zozeer door het productieproces, maar (i) dan lijkt mij dit een geval waarin de productie-continuïteitseisen en de geaardheid van de inkoopmarkt samenvallen in drie maanden vooruit denken, en (iii) de fiscus stelt niet welk deel van de door het Hof aanvaarde ‘ijzeren inkoop’ ad 350.000.000 Nm3 dan vanuit productiecontinuïteit beoordeeld onnodig zou zijn en waarom, terwijl ook onduidelijk blijft in welk opzicht en voor welke berekening dit volume slechts ‘rekengrootheid’ zou zijn. Onder die omstandigheden lijkt mij ‘s Hofs feitelijke oordeel in cassatie niet aantastbaar. Mogelijk dat de Staatssecretaris bij Borgersbrief nog rechtskundig licht op dit punt kan werpen.
omvangvan de als tweede schijf aanvaarde normale voorinkopen (350.000.000 Nm3 of drie maanden productie) noodzakelijk en niet-speculatief is. Dan rijst de vraag of de
prijsafspraakvoor die voorinkopen speculatief is en zo ja, welke gevolgen dat heeft voor de aanvaardbaarheid überhaupt van een tweede schijf. Ik ga er, zoals gezegd, van uit dat de inkoopcontractprijzen op balansdatum niet vast staan, maar uitgedrukt worden in een formule waarin de spotmarktprijs ten tijde van levering een belangrijke rol speelt.
futureprijs die op balansdatum nog gecontracteerd had kunnen worden. Dat lijkt er op neer te komen dat de belanghebbende volgens het Hof
altijdeen prijsrisico loopt. Wellicht zit daar de pijn van de fiscus. Hoe dan ook biedt dit u een gelegenheid om principiële uitspraken te doen over de vraag of prijsrisico op voorinkopen vereist is en zo ja welke soort prijsrisico en in welke mate.
Cacaobonen-arrest, met name de vier keer terug kerende term ‘de normale voorraad ten aanzien waarvan prijsrisico wordt gelopen’ in de r.o. 4.2.2 en 4.2.3, prijsrisico lijkt te eisen en suggereert dat het om prijsrisico gaat in de zin dat ten tijde van levering de waarde van de afnameverplichting (van het gas) en de prijs uiteen kunnen lopen. Anderzijds kan men stellen – zoals ook het Hof doet - dat de belanghebbende juist door in 2008 geen vaste prijs overeen te komen een prijsrisico loopt. Voor zover ik de discussie doorgrond, stelt de fiscus echter dat
datprijsrisico zich pas manifesteert ná balansdatum en dat het effect daarvan daarom niet in 2008 thuis hoort, maar in het jaar van levering en betaling: het wordt niet opgeroepen door de bedrijfsvoering in 2008 (toen geen vaste prijs is overeengekomen), maar door de bedrijfsvoering in een later jaar. De
timingstrookt in deze opvatting niet met goed koopmansgebruik.
timing mismatch. Het is bedoeld om de verkoopopbrengst buiten de winst te laten voor zover die besteed moet worden aan inkoop. De voor continue productie benodigde voorinkopen kunnen gezien worden als een ijzeren voorraad die in zijn geheel mankeert. De belanghebbende heeft dat manco gewaardeerd naar de marktprijs op 31 december 2008, waaruit een aanzienlijk negatieve waardering van de voorinkopen resulteert. Dat heeft als effect dat een groot winstbedrag gereserveerd wordt om die voorinkopen te betalen. Dat strookt met de bedoeling van het ijzeren voorraadstelsel. Waar de fiscus kennelijk over valt, is dat de reservering tegen marktprijs op balansdatum niet hoeft te stroken met de te betalen marktprijs ten tijde van latere levering. De belanghebbende
hooptimmers zelfs dat die prijs afwijkt: zij speculeert dat de
spot pricebij afname lager zal zijn dan op balansdatum. Als de afnameprijs inderdaad lager blijkt te zijn dan de marktprijs op balansdatum, heeft zij in zoverre ten onrechte onbelast winst gereserveerd: in zoverre was de verkoopopbrengst immers inderdaad niet nodig voor instandhouding van de noodzakelijke voorraad en in zoverre heeft de fiscus dus een punt.
à la baissebuiten de onbelaste winstreservering moeten blijven. Het geschil heeft zich echter niet in die genuanceerde zin maar als een alles-of-niets-discussie ontwikkeld, en er staat tegenover dat als de inkoopprijs na balansdatum
stijgt, de belanghebbende
te weinigwinst gereserveerd blijkt te hebben om schijnwinstbelasting geheel te voorkomen. Volgens de fiscus wordt die mogelijke prijstegenvaller effectief
hedgeddoor correlerende prijsstijging van de half- en eindfabricaten waarin het aardgas is verwerkt. Het Hof heeft echter feitelijk geoordeeld dat die correlatie onvoldoende is; dat oordeel acht de Staatssecretaris op zijn beurt weer onvoldoende gemotiveerd, althans onvoldoende gekwantificeerd in het licht van de IFRS 80-125% bandbreedte die u in het
Cacaobonenarrest gebruikte. Wat daarvan zij: dat een klein speculatiedeel van de voorraadwinst géén schijnwinst kan zijn maar echte winst, is mijns inziens geen reden om ook de - veel grotere - schijnvoorraadwinst te belasten.
mismatch: de nominalistische jaarvoorraadwinst wordt toegerekend aan (doorgeschoven naar) het toekomstige jaar van staking van de onderneming of van verkleining van de normale voorraad (zoals de belanghebbende in 2008 overkomt met betrekking tot haar technische voorraad) hoewel die winst niet in dat laatste jaar is gemaakt, maar is ontstaan gedurende het gehele bestaan van de onderneming. Dat plaatst de discussie over de vraag of de toepassing van het ijzeren voorraadstelsel op belanghebbendes niet-vaste-prijs-voorinkopen al dan niet in strijd is met het
matchingbeginsel in een wat vaag licht: het ijzeren voorraadstelsel
matchthoe dan ook niet met het
matchingbeginsel.
in casufeitelijk voldoende prijsrisico aanwezig heeft geoordeeld en dat oordeel mij noch rechtskundig onjuist, noch onvoldoende begrijpelijk lijkt.
nietvast stond dat het valutarisico op de lange dollarvordering, met aflossing in drie termijnen 2, 3 en 4 jaar na 21 april 2008, gedurende de volledige resterende looptijd ervan zou zijn afgedekt en dat de Inspecteur dat ook heeft erkend. Wel heeft de Inspecteur betoogd dat een eventueel ná balansdatum alsnog optredende waardedaling als gevolg van niet-afdekking pas in aftrek komt in het latere jaar waarin die waardedaling zich voordoet. Het Hof heeft die stelling verworpen als zowel feitelijk als juridisch onjuist, nu op balansdatum de valutawinst feitelijk nog niet als zo goed als gerealiseerd kon worden beschouwd en het voorzichtigheidsbeginsel dan toestaat om af te wachten of zij zich realiseert. Het feitelijke deel van dit oordeel lijkt mij niet ongemotiveerd of onbegrijpelijk en het rechtskundige deel ervan lijkt mij juist: als een niet-verwaarloosbare kans bestaat dat een ongerealiseerde waardestijging na balansdatum alsnog zal verdampen door waardedaling, dwingt goed koopmansgebruik niet tot winstneming op die balansdatum. De stelling van de Inspecteur lijkt mij ook innerlijk tegenstrijdig: uit de door hem veronderstelde mogelijkheid van waardedaling na balansdatum volgt logischerwijze dat de tot die datum opgetreden waardestijging niet definitief vast stond.
cash settlementvan dollartermijncontract 1 tegen de niet-gerealiseerde winst op de dollarvorderingen. De belanghebbende meent dat het
Market maker-arrest, waarin u saldering van samenhangende tegengestelde acute en latente resultaten wel degelijk hebt voorgeschreven (zie 4.5), slechts kan worden toegepast op (groepen) effecten.
hedgeer niet meer is doordat één van beide kanten van de medaille beëindigd is; [29]
op balansdatumhet (prijs)risico in hoge mate zijn beperkt (effectieve
hedge). Daarvan is sprake als op balansdatum hoogstwaarschijnlijk is dat de waardeontwikkelingen van de posities tegengesteld zullen correleren binnen een bandbreedte van 80-125% percent); [32]
market maker, bij voortduring ernaar streeft door
hedgingzijn koersrisico op een groep effecten te minimaliseren, mag een
gerealiseerdverlies op één van die effecten fiscaal niet in aanmerking genomen worden voor zover daar
latentewinsten in de waarde van de andere effecten tegenover staan; [33] gaat het om twee verschillende groepen effecten, dan wordt samenhang niet verondersteld, maar geldt het vorige gedachtestreepje;
market maker. Hij meent dat saldering van latente en acute resultaten net zo goed mogelijk is bij een ondernemer in, bijvoorbeeld, cacaobonen. Cornelisse (zie 4.9) ziet de ratio van samenhangende waardering in “het voorkomen van een vermogensverlies dat gelet op de tegengestelde posities - zolang die tegengestelde posities in stand worden gehouden - per saldo niet zal kunnen optreden.”
Market maker-arrest (gezamenlijke verwerking van gerealiseerde verliezen en samenhangende
ongerealiseerde winsten) ook in belanghebbendes geval kan worden toegepast. De aangehaalde auteurs sluiten dat niet uit. Cornelisse zag zelfs weinig nieuws in dat arrest. Ook het Hof heeft reeds uit r.o. 5.5.1 van het
Cacaobonenarrest afgeleid dat ook gerealiseerde en ongerealiseerde valutarisico’s op vorderingen en schulden samenhangend moeten worden beoordeeld als is voldaan aan de voorwaarden voor samenhangende waardering, hetgeen naar ’s Hofs oordeel
in casuhet geval was tussen 30 mei 2018 en 31 december 2018, toen een
full hedgebestond specifiek ter zake van belanghebbendes dollarvorderingen. Dat de belanghebbende na balansdatum, in april 2009, na afloop van die
hedge, anders zou kunnen overwegen en verdere afdekkingscontracten achterwege zou hebben kunnen laten, neemt volgens het Hof niet weg dat op balansdatum 2008 tegenover het bij afwikkeling van valutatermijncontract 1 gerealiseerde verlies een even grote waardestijging van de dollarvorderingen staat, zodat per saldo geen verlies is geleden. Met het Hof meen ik dat niet valt in te zien waarom uit een oogpunt van voorkoming van aftrek van verliezen die niet bestaan verschil zou moeten bestaan tussen tegengesteld samenhangende beurskoersbewegingen en tegengesteld samenhangende valutakoersbewegingen. ‘s Hofs rechtskundige maatstaf lijkt mij dus juist. Voor het overige lijkt mij zijn oordeel op dit punt feitelijk en geenszins onbegrijpelijk. Dat er ook andere dollarposities zijn, neemt geenszins de begrijpelijkheid van ’s Hofs oordeel weg dat de
full hedgespecifiek op deze twee dollarvorderingen zag.
hedgevalutaresultaat op de korte dollarvordering (ontstaan vóór 30 mei 2008) definitief werd toen valutatermijncontract 2 werd gesloten, dat precies tot de aflossingsdatum van die eerste vordering liep. De belanghebbende stelt dat de incourantheid van de vordering en het risico ter zake van de gegoedheid van de Chileense debiteur het onzeker maakten dat het gehele positieve valutaresultaat zich bij aflossing ook zou manifesteren. Mogelijk moeizame cedeerbaarheid van de dollarvorderingen neemt mijns inziens echter de
full hedgeniet weg, en een mogelijk debiteurenrisico, dat er bij realisering inderdaad toe leidt dat niet de volle valutawinst genoten zal worden, hoort mijns inziens niet bij het valutarisico, maar bij het debiteurenrisico, waarvoor de belanghebbende geen voorziening nodig heeft geoordeeld. Een misgelopen valutawinst als gevolg van wanbetaling door de dollardebiteur is mijns inziens een debiteurenresultaat, niet een valutaresultaat.
BNB1958/90 in 5.6 hierboven) en een incidentele piek kan geen uitgangspunt zijn voor de bepaling van de structureel benodigde voorraad (zie HR
BNB1958/90 in 5.6 hierboven). Het Hof heeft zich mijns inziens niet op een rechtskundig onjuist uitgangspunt gebaseerd en zijn bewijsoordeel ter zake van het bestaan van de manco’s lijkt mij geenszins onbegrijpelijk en daarmee in cassatie onaantastbaar.