Conclusie
Overzicht
transfer pricing, waarmee volgens de Inspecteur Nederlandse winst is verschoven naar [E] AG. Beide partijen hebben voor beide jaren cassatieberoepen ingesteld. De grieven van de Staatssecretaris zien op ’s Hofs oordelen over de dollarpositie-waardering en die van de belanghebbende op ’s Hofs oordelen over het verrekenprijsgeschil.
hedge(feitelijke correlatie) schulden en vorderingen in die valuta samenhangend gewaardeerd moeten worden. Nu alle litigieuze vorderingen en schulden in USD luiden, is de valuta
hedgezeer effectief, aldus de Staatssecretaris, zodat het Hof de samenhangende waardering ten onrechte beperkt heeft tot de valutatermijncontracten en de USD-schulden I en II en ten onrechte de dollarvorderingen op de Braziliaanse dochter er buiten heeft gehouden. De belanghebbende vond daartegenover het Hof aan haar zijde in de opvatting dat feitelijke effectieve correlatie niet voldoende is omdat daarnaast ook een bedrijfspolitieke samenhang is vereist tussen tegengestelde dollarposities, met name een
oogmerkvan
hedgingen/of een bedrijfseconomisch verband tussen de vordering en de schuld in dezelfde valuta.
hedgeis dat geen valutakoersrisico wordt gelopen zolang en voor zover die
hedgebestaat en dat daarom het realiteitsbeginsel in zoverre dwingt tot samenhangende waardering, ongeacht of de ondernemer die
hedgebeoogde en ongeacht het al dan niet bestaan van bedrijfseconomisch verband tussen vordering en schuld in dezelfde valuta. Ik acht het cassatiemiddel van de Staatssecretaris daarom in beide zaken gegrond.
Master Distribution Agreement. De beprijzing en overige
intercompanyverkoopvoorwaarden worden gebaseerd op de
[...] Transfer Pricing Master File(
TP Master File), dat in samenhang bezien moet worden met
country specific files. De
TP Master Fileen de
country specific filesbepalen dat
fully fledgedproducenten zoals de met name genoemde [D] beloond worden volgens de
comparable uncontrolled price method(CUP).
Supply Agreementen een
Distribution Agreementgesloten. [E] is met de belanghebbende en met [D] ‘verbonden’ zoals bedoeld in art. 8 Wet Pro op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969): alle aandelen [E] zijn in handen van het [A] concern. De
supply- en distribution agreementsbepalen dat [E] het surplus afneemt voor
cost plus5%. Op die basis factureert [D] maandelijks 39% van haar productie tegen
cost plus5% aan [E] en maakt zij de rest van de winst op de surplusproductie over aan [E] . Behoudens eerdere opzegging loopt de
Supply Agreementvijf jaar en behoudens tegenbericht wordt zij steeds stilzwijgend verlengd met een jaar. Na afloop van de eerste vijf jaar is de looptijd minstens éénmaal stilzwijgend verlengd.
costplus 5% in combinatie met de facturering van [D] aan [E] op basis van de
distribution service agreementeen maandelijkse onzakelijke winstverschuiving van [D] naar [E] . Hij heeft daarom het aangegeven belastbare bedrag 2012 met € 42.843.146 opwaarts gecorrigeerd en voor 2013 met € 15.457.904.
agreements, (ii) haar eigen
TP Master File, dat CUP voorschrijft, en (iii) haar ongewijzigde handelen ter zake van de identieke 61% productie die al bestond, en zij heeft opmerkelijke standpunten ingenomen die afwijken van ervaringsregels, zoals die dat een zeer groot internationaal beursgenoteerd concern fiscaal
in controlis en dat een vennootschap die door het concern zelf als
fully fledgedén
preferred producerwordt aangemerkt, zich in ongelieerde verhoudingen niet zonder zeer goede commerciële reden contractueel laat afschepen als
contract manufacturer. De feitenrechters hebben daarom van de belanghebbende verlangd: (i) een zakelijke verklaring voor de opmerkelijke afwijking in de
supply agreementvan de
TP Master Filevan het concern (die CUP voorschrijft) voor een niet van de overige productie en verkoop onderscheidbare 39% van de productie van [D] en (ii) onderbouwing van de nog opmerkelijker stelling dat binnen het [A] concern al vele jaren honderden miljoenen winst verkeerd, nl. ten onrechte aan [D] zouden zijn gealloceerd.
costnaar [E] overmaakte hoewel feitelijk nog steeds hetzelfde ureum en dezelfde kunstmestproducten nog steeds onveranderd door haar werden geproduceerd en voor dezelfde marktprijzen aan dezelfde gelieerde verkooporganisaties werden verkocht zonder onderscheid tussen oorspronkelijke en surplusproductie. Na, door of in verband met de
Supply Agreementzijn geen functies overgegaan van [D] naar [E] of naar andere groepsmaatschappijen. De productie- en logistieke processen zijn niet gewijzigd. [E] heeft na het aangaan van de
Supply Agreementgeen bepaalde functies in het productie- of logistieke proces uitgeoefend, noch heeft zij geïnvesteerd in [D] . Evenmin is het kapitaalbeslag veranderd; [D] drijft haar onderneming met precies dezelfde activa als vóór het sluiten van de
Supply Agreement. Behoudens het contractuele productierisico op de surplusproductie is het risico evenmin gewijzigd: [D] loopt voor de oude 61%-productie precies dezelfde productierisico’s als vóór de
Supply Agreement,en alle andere dan productierisico’s, zoals bezettingsrisico, calamiteiten, schades, grondstofkwaliteitsrisico's, machinefalen, valutarisico's, R&D-risico’s, etc. zijn ook voor de surplus-39% niet veranderd of verplaatst (Hof r.o. 4.56.18). De enige verandering ten opzichte van de situatie zonder
Supply Agreementis een juridische overdracht van 39% productierisico van Nederland naar Zwitserland; een gegarandeerde afname dus. Het Hof heeft verder vastgesteld dat “ [D] binnen het [A] -concern (al jaren) de grootste en best presterende concernvennootschap (was)” en de
preferred producervan het concern is, waaraan de
swingproducenten van het concern hun productieniveau moesten aanpassen.
fully fledgedwinstgevende producent van ureum en kunstmestproducten haar bestaande en bewezen overwinstcapaciteit (die door de nieuwe fabriek alleen maar beter werd) op een groot deel van haar productie zou afstaan aan een derde in de markt. De partij die dat stelt, zal een zakelijke verklaring moeten produceren voor het gegeven dat de
agreementsslechts 5% marge laten aan de bewezen veel winstgevender ‘best presterende’
entrepreneurdie alle functies bleef vervullen die zij daarvoor ook vervulde, behalve (op papier) 39% productierisicobeheersing, en voor het gegeven dat [D] ’s zéér omvangrijke restwinst voortaan maandelijks door haar werd overgemaakt naar een gelieerde overnemer van 39% productierisico zonder betekenis voor [D] ’s oorspronkelijke 61% productie en zonder betekenis voor de kernfuncties van [D] ’s surplusproductie, -logistiek, -distributie en -administratie.
most complex entityis, niet door alleen maar een contract voor een willekeurig percentage (39%) van zijn capaciteit veranderd kan worden in een routine-margeproducent terwijl die onderneming tegelijk voor de identieke 61% overige productie
fully fledged entrepreneurblijft en voor de 39% surplus
feitelijkook alles blijft zoals het was, en (ii) dat evenmin een Zwitserse concernvennootschap die niet ingevoerd is in [D] ’s productie(processen), logistiek, distributie en administratie, en die dus onmiskenbaar de
least complex entityis, door alleen maar een contract voor hetzelfde willekeurige percentage (39%) kan worden veranderd in de werkelijke
entrepreneurdie [D] is en ook voor die 39% blijft, te minder nu dat contract onverenigbaar is met het
TP Master Filevan het concern.
entrepreneurzoals [D] volgens het Hof nooit akkoord zou gaan met zo’n contract en dergelijke contracten volgens hem dan ook niet bestaan tussen niet-gelieerde partijen, is verzakelijking van de voorwaarden moeilijk denkbaar: voor een niet-bestaanbare transactie kunnen geen zakelijke voorwaarden bedacht worden.
agreements. Civielrechtelijk komt ’s Hofs oordeel mijns inziens neer op de vaststelling van een relatieve schijnhandeling: er zijn civielrechtelijk wel degelijk twee overeenkomsten, maar die hebben gezamenlijk een andere fiscale strekking dan de civiele schijn. De partijen bij die overeenkomsten beogen niet om [E] voor 39% van [D] ’s productie de werkelijke
entrepreneurte doen zijn, noch om [D] voor 39% van haar productie slechts marge-fabrikant op bestelling te doen zijn (én tegelijkertijd voor 61% van haar identieke productie
fully fledged entrepreneurte laten), maar om 39% van [D] ’s omvangrijke winst (minus 5% van
cost) te verplaatsen van de Nederlandse naar de Zwitserse belastingjurisdictie. Dat oordeel, gebaseerd op de aan cassatiecontrole onttrokken uitleg van de overeenkomsten, de
TP Master Fileen de overgelegde accountants- en juristenrapporten en op de eveneens aan cassatiecontrole onttrokken waardering van de vastgestelde feiten en van bewijsmateriaal zoals verklaringen ter zitting, lijkt mij niet onbegrijpelijk. Ik acht het aanmerkelijk begrijpelijker dan belanghebbendes opzienbarende standpunten dat (i) in de verhouding tussen [E] en [D] de laatste de
least complex entityzou zijn en (ii) [D] ter zake van identieke productie die op identieke wijze aan identieke partijen verkocht wordt tegen identieke prijzen tegelijkertijd zowel
fully fledged entrepreneur(61%) én
contract manufacturer(39%) zou zijn, óf (iii) [D] - in flagrante strijd met het eigen
TP Master File- al vele jaren – en nog steeds – honderden miljoenen euros te veel winst heeft aangegeven, waarbij onopgehelderd blijft aan wie die winst dan wél al die jaren toegerekend had moeten worden en waarom.
least complex partywordt aangemerkt en noch de functionele, noch de vergelijkbaarheidsanalyse deugt, terwijl die ‘uiterst summier onderbouwde’ functionele analyse bovendien vergaand afwijkt van de analyse in de sinds jaar en dag in het concern gebruikte TP Master File zonder dat daarvoor een verklaring wordt gegeven. Die waardering van bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter en lijkt mij geenszins onbegrijpelijk.
2.De feiten en de gedingen in feitelijke instanties
[A] Financial Report2012 beschreef de bedrijfsactiviteiten in dat jaar als volgt:
cashafgewikkeld, waarna een nieuw valutatermijncontract werd gesloten voor hetzelfde USD-bedrag. De belanghebbende heeft haar op deze contracten
gerealiseerdewinsten en verliezen en het in 2012 en 2013
ongerealiseerde verliesopgenomen in haar aangiften Vpb.
Ongerealiseerde winstheeft zij niet aangegeven. Op het op 26 oktober 2011 gesloten 200 mio-valutatermijncontract heeft zij € 16.189.684 winst gemaakt. Op het op 15 juni 2012 gesloten 200 mio-valutatermijncontract heeft zij daarentegen € 5.947.639 verlies geleden. Zij heeft deze gerealiseerde resultaten in haar aangifte Vpb 2012 opgenomen. Zij heeft verder een ongerealiseerd verlies van € 1.801.907 aangegeven op het op 17 december 2012 afgesloten 200 mio-valutatermijncontract.
[A] Financial Report2012 vermeldt over de beheersing van financiële risico’s onder meer het volgende:
[...] Master Distribution Agreement(de
Master Agreement) ten grondslag. De beprijzing en overige
intercompanyvoorwaarden worden gebaseerd op de
[...] transfer pricing master file(de
TP Master File), dat in samenhang bezien moet worden met
country specific files. De
TP Master Fileen de
country specific filesbepalen dat
fully fledgedproducenten zoals [D] beloond worden op basis van de
comparable uncontrolled price method(de CUP-methode).
TP Master Filevolgende verrekenprijzen, maar in de bezwaarfase heeft de belanghebbende nader het standpunt ingenomen dat toepassing van de verrekenprijzen die volgen uit de
TP Master Fileleiden tot een onzakelijke hoge winst voor [D] . De belanghebbende baseert zich daarbij op een door [L] voor [A] opgesteld rapport (het [L] -rapport) dat een “European Manufacturing of Fertilisers – Analysis of Comparable Data 2010 – 2012” omvat, alsmede een “European Distribution of Fertilisers – Analysis of Comparable Data 2010 – 2012”. Het [L] -rapport is op 26 februari 2014 aan [A] toegestuurd met een begeleidend memo dat onder meer het volgende vermeldt:
Supply Agreementgesloten. [E] is met de belanghebbende en [D] ‘verbonden’ zoals bedoeld in art. 8 Wet Pro op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969): alle aandelen [E] zijn in handen van het [A] concern. De
Supply Agreementhoudt in dat [E] het surplus afneemt tegen een verrekenprijs van
cost plus 5%. Op die basis factureert [D] maandelijks 39% van haar productie tegen
cost plus 5%aan [E] en maakt zij het meerdere van haar opbrengst verkoop op het surplus – wellicht na verrekening - over aan [E] . Behoudens eerdere opzegging loopt de
Supply Agreementvijf jaar; behoudens tegenbericht wordt zij steeds stilzwijgend verlengd met een jaar. Na afloop van de eerste vijfjaarsperiode is de looptijd minstens éénmaal stilzwijgend verlengd.
Supply Agreementtussen [D] en [E] bepaalt onder meer het volgende:
2.SUPPLY OF PRODUCTS
3.MANUFACTURE OF PRODUCTS
4.SUPPLY VOLUME/DELIVERY
5.REMUNERATION
6.WARRANTIES AND LIABILITIES
distribution service agreementgesloten. Die
agreementbepaalt onder meer het volgende:
cost plus5%) voor de surplus-productie (de 39% die de nieuwe fabriek produceert) in combinatie met de facturering tussen [D] en [E] op basis van de
distribution service agreementeffectief tot een maandelijkse onzakelijke winstverschuiving van [D] naar [E] . Hij heeft daarom het aangegeven belastbare bedrag voor 2012 met € 42.843.146 verhoogd en voor 2013 met € 15.457.904.
Supply Agreementopgenomen verkoopprijs (
cost plus5%) in lijn acht met door vergelijkbare bedrijven berekende verkoopprijzen. De conclusie in het rapport luidt als volgt:
hedge.
TP Master Fileen dat [D] ook in het onderhavige jaar haar producten aan andere gelieerde verkooporganisaties verkocht tegen prijzen op basis van de
TP Master File. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het dan op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat er een zakelijke reden is om het surplus aan Switzerland te verkopen tegen prijzen die afwijken van prijzen op basis van de
TP Master File. Belanghebbende was immers zelf lange tijd van mening dat de prijzen op basis van de
TP Master Filezakelijk waren en is dat - in de verhouding tot andere gelieerde verkooporganisaties nog steeds. De rechtbank merkt daarbij op dat het productieproces, het logistieke proces, de administratieve handelingen, en de productiekosten met betrekking tot het surplus van 39% niet afwijken van die van de overige 61% van de productie. Als dan voor dat deel toch een andere (verreken)prijs wordt berekend dan vraagt dat om een verklaring.”
Supply Agreement– die afwijken van de
TP Master File– op zakelijke grondslag berust. De enkele wijziging van productievolumes van ammonia, ureum en kunstmestproducten verklaart volgens de Rechtbank niet waarom het surplus tegen een andere prijs moet worden verkocht dan voorheen, gegeven de
TP Master File. Belanghebbende heeft niet onderbouwd waarom [E] gecompenseerd moest worden en waarom dat zakelijk zou zijn.
Supply Agreement.
TP Master Fileen dienovereenkomstig gehanteerde gedragslijn gelden voor de reguliere productstroom. In die bijzondere situatie is het volgens de Rechtbank aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat die afwijking gerechtvaardigd is. Daarbij nam de Rechtbank in aanmerking dat: [8]
Supply Agreementen de
distribution service agreement.
Kunstmest-arrest HR
BNB2019/58 [10] (zie 8.11 hieronder) gebaseerde standpunt van de Inspecteur verworpen. De belanghebbende heeft gekozen voor de hoofdregel en daarvoor hoeft zij volgens het Hof niet meer te stellen dan zij heeft gedaan. De Inspecteur verdedigt afwijking van die hoofdregel en het is dus aan hem om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen die afwijking rechtvaardigen.
BNB2009/271 [11] (zie 8.5 hieronder) meent het Hof dat bij de vraag of activa en passiva samenhangend moeten worden gewaardeerd betekenis toekomt aan de aard van de contracten waaruit de vorderingen schulden voortvloeien, bezien in het licht van de gelopen risico's, en aan de de vraag of afdekking van risico's is beoogd. De enkele omstandigheid dat activa en passiva in een zelfde valuta zijn uitgedrukt, is volgens het hof onvoldoende om tot samenhang te concluderen. Als afdekking van risico’s is beoogd, is dat een belangrijk gegeven, maar de afwezigheid van dat oogmerk impliceert op zichzelf niet dat geen samenhang bestaat. Zoals de Hoge Raad heeft aangegeven (HR
BNB2008/13 [12] ) kan de aard van de contracten relevant zijn, zoals bij geschreven
callopties die worden gedekt door in bezit zijnde aandelen. Voor samenhangende waardering is in elk geval vereist dat de
hedge‘zeer effectief’ is,
i.e.dat de waardeontwikkelingen van de desbetreffende vermogensbestanddelen hoogstwaarschijnlijk correleren binnen een bandbreedte van 80% tot 125%. Gaat het om waardeontwikkelingen door koersmutaties in dezelfde valuta, dan is de
hedgezeer effectief, maar ook dat is op zichzelf niet voldoende omdat ook betekenis toekomt aan de aard van de contracten en de bedoelingen van de belastingplichtige.
BNB2019/58 overwoog dat de waarde van een vermogensbestanddeel afhangt van verschillende factoren. Zo hangt de waarde van een vastrentende vordering in vreemde valuta met vaste looptijd niet alleen af van de wisselkoers maar ook van het debiteurenrisico en de marktrente. Elk van die factoren kan zelfstandig het fiscale resultaat beïnvloeden en de daarmee samenhangende risico's kunnen afzonderlijk worden afgedekt, aldus het Hof. Voor de vraag of een vordering en een dekkingsinstrument samenhangend moeten worden gewaardeerd, moet volgens het Hof dan ook elk zodanig risico afzonderlijk beoordeeld worden. Uw
Market maker-arrest [13] heeft dat volgens het Hof niet anders gemaakt omdat die zaak het bijzondere geval van delta-
hedgingbetrof waarbij de bedrijfsactiviteit van de belastingplichtige volledig was gericht op afdekking van de risico's op posities in derivaten en onderliggende waarden. Het Hof heeft daarom het standpunt van de Inspecteur verworpen dat alle in USD luidende activa en passiva hoe dan ook samenhangend gewaardeerd moeten worden. Het Hof heeft vervolgens beoordeeld welke activa en passiva in waarde-ontwikkeling samenhangen.
costvan haar productie een zakelijke beloning voor haar
assets used, risks assumed and functions performedzou zijn:
transfer pricinggaat om de verdeling van de concernwinst. Voor zover aan de belanghebbende te veel winst zou zijn toegerekend, is aan andere concernonderdelen tot hetzelfde bedrag te weinig toegerekend. Dat betekent dat de fiscale autoriteiten van diverse staten gedurende een reeks van jaren met onjuiste winstcijfers zouden zijn geconfronteerd. Het [A] -concern is echter een grote, internationale, beursgenoteerde onderneming waarvan mag worden aangenomen dat zij fiscaal
in controlis en dat ook wil zijn. Daarmee verhoudt zich niet dat ongemerkt zeer grote winstbedragen onjuist aan concernonderdelen in veel verschillende jurisdicties zouden zijn gealloceerd.
TP Master File, worden beschouwd als een verrekenprijzenrapport, maar is slechts een benchmarkrapport waarin essentiële informatie ontbreekt, zoals een vergelijkbaarheids-analyse, een functionele analyse en een onderbouwing van de gekozen verrekenprijs-methoden. Het rapport kan volgens het Hof geenszins in de plaats worden gesteld van de verrekenprijsdocumentatie die binnen het [A] -concern sinds een lange reeks van jaren wordt gebruikt, die jaarlijks wordt geactualiseerd en jaarlijks wordt getoetst door de externe accountant. Het Hof acht bovendien de ondernemingen waarmee [D] in het rapport wordt vergeleken om meer redenen niet vergelijkbaar met [D] , of onvoldoende duidelijk of zij vergelijkbaar zijn. Het Hof beantwoordt vraag ad (3) daarom ontkennend.
Samenvatting en conclusie met betrekking tot de overdracht van het productierisico
cost plus5% (veel) minder zou zijn dan de te verwachten winst op de surplusproductie, viel volgens het Hof in 2011 te verwachten, gegeven de tot dan toe behaalde resultaten: In 2002 t/m 2011 was het rendement in de meeste jaren veel hoger dan
cost plus5%. In 2002 t/m 2011 bedroegen de EBIT-percentage: 2002: 19,1%, 2003: 19,6%, 2004: 30,8%, 2005: 24,7%, 2006: 12,5%, 2007: 23,6%, 2008: 28,5%, 2009: 3,6%, 2010: 23,3% en 2011: 29,1%.
cost plus5% een correcte verrekenprijs is, gegeven de onvergelijkbaarheid van de met [D] vergeleken bedrijven en de kunstmatige en volgens het Hof onverdedigbare scheiding in het verrekenprijsrapport tussen de surplusproductie (39%; geen risico) en de daarvan niet onderscheidbare oorspronkelijke productie (61%; wel risico). De functionele analyse in het verrekenprijsrapport (geen risico) staat volgens het Hof in schril contrast tot de functionele analyse in de
transfer pricing-documentatie van het [A-concern] , die [D] beschrijft als
fully fledgedonderneming die allerlei risico's loopt, terwijl voor dat schrille contrast geen verklaring wordt gegeven. Ook wordt [D] volgens het hof in het verrekenprijsrapport ten onrechte aangemerkt als
tested party. Anders dan kennelijk de belanghebbende, meent het Hof dat [D] c.q. de belanghebbende een complexe onderneming is met vele functies en een hoog en divers risicoprofiel.
Starbucks- [17] ,
Nike [18] - en
Apple [19] -zaken. Het enkele feit dat zij een volgens haar betere beloning geniet dan Starbucks en dat de staatssecretaris van Financiën de APA's [20] van Starbucks en Nike tegenover de Europese Commissie heeft verdedigd, betekent volgens het Hof niet dat de staatssecretaris een beleid voert inhoudende dat activiteiten als die van [D] (deels) met een
cost pluskunnen worden beloond. De
at arm's lengthbeloning hangt af van de door [D] uitgeoefende functies, gelopen risico's en gebruikte activa. De belanghebbende heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt of en zo ja, in welke mate haar situatie in die opzichten vergelijkbaar zou zijn met de
Starbucks-,
Nikeen
Apple-zaken. Het Hof verwerpt haar stelling dat de Inspecteur zou afwijken van het
transfer pricing-beleid door contractuele verhoudingen te negeren, niet aan te sluiten bij de in Nederland uitgevoerde functies, gebruikte activa en gelopen risico's en de benchmarkanalyse te verwerpen; de Inspecteur sluit wel degelijk aan bij de relevante functies, gelopen risico's en gebruikte activa van [D] /belanghebbende en van [E] , maar trekt daaruit niet belanghebbendes gevolg dat [D] een routinefunctie zou vervullen. De Inspecteur concludeert tot
fully fledgedondernemerschap, en die conclusie wordt door het Hof wordt onderschreven.
NTFR2022/2364:
FED2022/91:
NLF2022/1038:
6.De cassatieberoepen
at arm’s lengthzijn bepaald.
Supply Agreementzakelijk hebben gehandeld, is het Hof er ten onrechte van uitgegaan dat als de juridische werkelijkheid niet overeenkomt met de economische werkelijkheid, de Inspecteur niet is gebonden aan de overeengekomen voorwaarden en aan de uit de overeenkomst voortvloeiende transactie(s) andere fiscale gevolgen kan verbinden.
transfer pricingdocumentatie er blijk van heeft gegeven zakelijke voorwaarden te willen hanteren, zodat zij zich niet bewust was van enige onzakelijkheid in de voorwaarden van de transactie.
Supply Agreementtussen onafhankelijke derden niet zou zijn gesloten.
Supply Agreement.
cost plus 5%(veel) lager zou uitvallen dan de op basis van de CUP te realiseren winst is onbegrijpelijk.
Supply Agreementindruiste tegen haar zakelijke belang en in ongelieerde verhoudingen niet zou zijn gesloten.
research and development, inkoop van grondstoffen, productie, opslag, interne verkoop en daarmee samenhangende logistiek en transport. Dat is onbegrijpelijk.
Supply Agreementtussen onafhankelijke derden niet tot stand zou zijn gekomen, heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbendes fiscale winst moet worden bepaald als ware die
agreementniet gesloten en alsof [D] surplusproductie maandelijks aan [E] had verkocht tegen prijzen conform het binnen het [A] -concern algemeen geldende systeem van verrekenprijzen. Die gevolgtrekking is onjuist of onbegrijpelijk.
Supply Agreementonzakelijk hebben gehandeld, heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbendes winst niet in het jaar van het sluiten van de
Supply Agreement(2011) moet worden gecorrigeerd, maar van maand tot maand, in elke maand waarin het onzakelijk handelen zich voordoet. Ook dit oordeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting of is onbegrijpelijk:
alser gecorrigeerd moet worden, dan in 2011.
hedgegaat: de waardeontwikkelingen van die vermogensbestanddelen door mutatie in de USD-koers hangen direct samen en deze zullen, zoals ook het Hof vaststelt, correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125%. Het USD-valutarisico is in hoge mate beperkt. Het functionele verband tussen de vorderingen en schulden (evident negatief gecorreleerde risico's) volgt uit de aard van de contracten (monetaire posten) in het licht van de aard van de risico's (hetzelfde USD-valutarisico). Die samenhang is ook beoogd, hetgeen onder meer blijkt uit de risicoanalyse op concernniveau waaruit volgt dat het risico wordt gestuurd en afgedekt. Het Hof heeft volgens de Staatssecretaris een onjuiste maatstaf gebruikt door ten onrechte ook samenhang te eisen op basis van de aard van de contracten waaruit de USD-vorderingen en -schulden zijn ontstaan en op basis van het oogmerk van de belastingplichtige. Ten onrechte eist het Hof een zakelijk (historisch of causaal) verband tussen vermogensbestanddelen die functioneel (in het licht van de aard van de risico’s) samenhangen. Daarmee acht het Hof volgens de Staatssecretaris in feite de bedoeling van de ondernemer doorslaggevend, terwijl hij de aard van de contracten had moeten bezien in het licht van de aard van de risico’s. Het Hof heeft bovendien alleen de aard van de contracten beoordeeld waaruit USD-schuld II is ontstaan en niet die van de contracten waaruit de USD-schuld I is ontstaan, zodat zijn oordeel ook onvoldoende is gemotiveerd.
7.De wet en (latere) beleidsregels; OESO-verrekenprijsrichtlijnen
BNB2004/407, bevatten geen dergelijke passages:
2. Het arm’s-lengthbeginsel (Hoofdstuk I en III)
2. Het arm’s-lengthbeginsel (Hoofdstuk I en III)
8.Samenhangende waardering dollarposities
hedge(feitelijke correlatie) voldoende is om aan te nemen dat het realiteitsbeginsel noopt tot samenhangende waardering van vorderingen en schulden in dezelfde valuta. Anderzijds biedt die rechtspraak ook steun aan de opvatting dat feitelijke correlatie op zichzelf niet voldoende is en dat daarnaast ook een bedrijfspolitieke samenhang (oogmerk van afdekking en bedrijfseconomisch verband) vereist is tussen schulden en vorderingen in dezelfde valuta. Het Hof heeft met de belanghebbende voor het laatste standpunt gekozen, waardoor de dollarvorderingen op de Braziliaanse groepsmaatschappij buiten de samenhangende waardering vielen. De Staatssecretaris kiest voor het eerste standpunt.
BNB2004/214 [37] betrof een geschil over toerekening van een vordering, een schuld en een
swapaan een Zwitserse financierings-v.i. van de belanghebbende. Na beslechting van dat geschil overwoog u van ambtswege dat de relevante dollarschuld en dollarvordering samenhangend moesten worden gewaardeerd voor zover en zo lang zij hetzelfde bedrag en dezelfde periode betroffen, ook al hadden zij verschillende looptijden:
BNB2008/26 [38] had de belanghebbende
callopties geschreven op haar aandelenbezit. Zij waardeerde haar aandelen op kostprijs of lagere beurswaarde, maar haar
calloptie-verplichtingen op de ontvangen premie of hogere beurswaarde. Bij koersstijging van de aandelen leidde dat systeem tot verliesneming op de
call-optieverplichting zonder winstneming op de aandelen. Dat was volgens u geen goed koopmansgebruik, want onrealistisch:
Cacaobonenarrest HR
BNB2009/271 [39] betrof het prijsrisico op grondstoffen en producten (cacaobonen) en de vraag of cacaobonen, cacaoproducten en cacaocontracten samenhangend moesten worden gewaardeerd. U gaf de volgende regel voor samenhangende waardering van voorverkopen, voorinkopen, technische voorraad en
futuresin cacaobonen:
inkoop of voor
verkoop en op welke termijn en in welke staat van bewerking van de bonen).
BNB2009/271) vroeg zich af (i) of uw twee criteria (a) (samenhang tussen voorinkopen en voorverkopen) en (b) (in hoge mate beperkt prijsrisico) effectief niet als één voorwaarde moesten worden opgevat en (ii) of het bij de onder (a) bedoelde samenhang om zuiver objectieve samenhang gaat of ook subjectief bedoelde c.q. historische samenhang meedoen:
Market makeruit het gelijknamige arrest [40] was permanent aan het delta-
hedgenom haar koersrisico’s op ingenomen posities volledig uit te doven. Zij wilde niettemin verlies nemen op verkochte effecten waartegenover ongerealiseerde waardestijgingen stonden. U achtte verliesneming alleen mogelijk als de samenhangende groep effecten als geheel minder waard zou zijn geworden of als twee groepen correlerende effecten geen zeer effectieve
hedgezouden produceren:
hedgezeer effectief is in de zin van het hiervoor in 3.5.1 vermelde arrest van 10 april 2009.
market makerligt het er dik bovenop dat hij het oogmerk tot koersrisico-afdekking koestert (‘bij voortduring ernaar streeft’) en dat de door hem gesloten contracten daarop zijn gericht en samenhangen met de posities in aandelen en afgeleiden daarvan die hij heeft ingenomen. Het zegt dus denkelijk niets dat u niets zei over ‘de aard van de contracten.’ Ik merk wel op dat uw algemene regel (“(…) voor alle vermogensbestanddelen waarvan het waardeverloop direct samenhangt met het waardeverloop van aandelen (hierna tezamen met die aandelen ook: een groep effecten) [vereist] goed koopmansgebruik gezamenlijke waardering (…)”) niet vraagt naar het al dan niet beoogd of gewenst zijn van die ‘directe samenhang’ en suggereert dat als feitelijk 100% koerscorrelatie vast staat, niet ter zake doet of die correlatie is beoogd. De realiteit van 100% correlatie wordt immers niet anders door het wel of niet bestaan van bedoelingen.
BNB2014/116) meent dan ook dat niet alleen in gevallen zoals dat van de
market makerhet realiteitsbeginsel voorrang heeft boven het realisatiebeginsel:
JOR2014/188) merkt op dat het
Market maker-arrest een van de commerciële standaard afwijkende opvatting van goed koopmansgebruik bestendigde:
FED2014/36) zag in het
Market maker-arrest weinig nieuws, maar vestigde wel de aandacht op de
de factoverrekening van gerealiseerde verliezen met latente winsten en andersom en op de vraag welke betekenis (afdekkings)rechtshandelingen ná balansdatum hebben voor de balanswaardering:
Kunstmestarrest [41] betrof onder meer de vraag naar samenhangende verantwoording van gerealiseerd verlies op een dollartermijncontract en daartegenover staande ongerealiseerde valutawinst op dollarvorderingen. De belanghebbende had twee dollarvorderingen; één met een looptijd van 1 april 2008 t/m 1 april 2009; een tweede met dezelfde ingangsdatum maar een latere vervaldatum. Zij dekte de valutarisico’s af door periodiek valutatermijncontracten af te sluiten die zij
cashafwikkelde. In 2008 sloot zij een dollartermijncontract van 30 mei 2008 t/m 3 december 2008. Tot 30 mei was op de beide vorderingen een latente valutawinst gemaakt. De belanghebbende leed daardoor met de
cash settlementeen verlies. Op 3 december 2008 sloot zij een tweede valutatermijncontract voor hetzelfde bedrag met als vervaldatum 1 april 2009. Zij nam wel het bij
cash settlementgerealiseerde verlies, maar niet de daarmee samengaande ongerealiseerde winst op de dollarvorderingen. De Inspecteur meende dat de vorderingen en de termijncontracten gezamenlijk moesten worden gewaardeerd, zodat geen verlies genomen kon worden, en dat bovendien ook de valutawinst over de periode vóór het eerste termijncontract alsnog belast moet worden op grond van het realiteitsbeginsel. U oordeelde (i) dat de waarderingsregel van het
Market maker-arrest ook geldt als valutawinst die staat tegenover een gerealiseerd valutaverlies niet meteen of alleen tegen een
discountkan worden gerealiseerd en (ii) dat als een zeer effectieve
hedgetot stand komt en daardoor vaststaat of zo goed als zeker is dat een voordien opgetreden waardeontwikkeling van een nadien in samenhang te waarderen vermogensbestanddeel zal worden gerealiseerd, op dat moment het resultaat ter zake van die waardeontwikkeling moet worden genomen:
BNB2019/58) merkt op dat in het
Kunstmest-arrest, net als in het
Market maker-arrest het samenhangvereiste naar de achtergrond lijkt te zijn verdwenen en dat u u enkel richt op het correlatievereiste. Hoewel het correlatievereiste volgens Lubbers verreweg het belangrijkste criterium is voor samenhangende waardering omdat bij het bestaan van een ‘zeer effectieve hedge’ ook zal zijn voldaan aan het samenhangvereiste, vervult het samenhang-criterium vermoedelijk een nuttige rol als een dekkingsinstrument op meer vermogensbestanddelen kan zien. Nieuw aan het
Kunstmest-arrest is volgens Lubbers dat samenhangende waardering nu ook de toerekening van
batenvolgens goed koopmansgebruik mede bepaalt:
Marketmaker-arrest constateerde ik dat het samenhangvereiste naar de achtergrond lijkt te zijn verdwenen. In r.o. 3.5.1 van dat arrest overwoog de Hoge Raad:
V-N2019/11.8) op dat u voor de vraag of een
hedgezeer effectief is, nadrukkelijk een economische invalshoek kiest met een bandbreedte van 80% tot 125%, maar bij de vraag of een voordeel wordt gerealiseerd, een juridische bril opzet en eist dat het (nagenoeg) zeker is dat het resultaat zal worden gerealiseerd. Economisch is er volgens de redactie maar weinig verschil tussen de situatie waarin een belastingplichtige een vordering in vreemde valuta verkoopt tegen euro’s en later vreemde valuta terugkoopt, en de situatie waarin diezelfde belastingplichtige een vordering in vreemde valuta voor een bepaalde periode afdekt qua valutakoersrisico. Het arrest lokt volgens de redactie uit dat belastingplichtigen met een latente winst altijd een
hedgeafsluiten met een kortere looptijd dan de onderliggende vordering en die dan ‘doorrollen’.
hedgeis dat geen valutakoersrisico wordt gelopen zolang en voor zover die
hedgebestaat en dat daarom het realiteitsbeginsel in zoverre dwingt tot samenhangende waardering, ongeacht of de ondernemer die
hedgebeoogde en ongeacht het al dan niet bestaan van bedrijfseconomisch verband tussen vordering en schuld in dezelfde valuta.
nietmakkelijk is om te bewijzen dat iets er
nietwas (beleid of oogmerk) en (iii) de fiscus ex art. 47 AWR Pro de belastingplichtige naar dier (valuta)
hedgingstrategie kan vragen tot en met de bezwaarfase, en de belastingplichtige verplicht is om juist en volledig te antwoorden.
9.Het verrekenprijsgeschil; de correctie in verband met de Supply Agreement
Algemene opmerkingen
TP Master Filegehandeld en bij het Hof verbazing wekkende standpunten ingenomen over beweerdelijk al jarenlang voortdurende, vergaand onjuiste internationale winsttoerekening binnen het concern, die vergaand afwijken van ervaringsregels, zoals de redelijke verwachtingen dat een zeer groot internationaal beursgenoteerd concern fiscaal
in controlis en dat een concernvennootschap die door het concern zelf als
fully fledgedén
preferred producerwordt aangemerkt, zich in ongelieerde verhoudingen niet zonder zeer goede reden (in afwijking van de in de TP Master File voorgeschreven
uncontrolled price) contractueel zou laten afschepen als
contract manufacturer. De feitenrechters hebben daarom de belanghebbende gevraagd om (i) een zakelijke verklaring voor de opmerkelijke afwijking die de
supply agreementinhoudt van de
TP Master File(die CUP voorschrijft) voor de niet van de overige productie en verkoop onderscheidbare surplusproductie van [D] , en (ii) onderbouwing van de nog opmerkelijker stelling dat in het concern al vele jaren honderden miljoenen winst verkeerd, nl. ten onrechte aan [D] zouden zijn gealloceerd. Die bewijslastverdeling lijkt mij niet onredelijk of in strijd met een goede procesorde. ’s Hofs oordeel komt er op neer dat de belanghebbende niet geslaagd is in een aannemelijke verklaring of onderbouwing. Hij heeft het door de belanghebbende overgelegde verrekenprijsrapport van [H] daarvoor volstrekt onvoldoende geacht omdat daarin [D] ten onrechte als
least complex partywordt aangemerkt en noch de functionele analyse, noch de vergelijkbaarheidsanalyse deugt, terwijl die ‘uiterst summier onderbouwde’ functionele analyse vergaand afwijkt van de analyse in de sinds jaar en dag in het concern gebruikte
TP Master Filezonder dat daarvoor een verklaring wordt gegeven.
cost) naar [E] moest overmaken hoewel er feitelijk niets veranderde (r.o. 4.56.7.3): dezelfde ammonia en dezelfde kunstmestproducten worden nog steeds door [D] geproduceerd en nog steeds door haar voor dezelfde marktprijzen aan dezelfde gelieerde verkooporganisaties verkocht zonder onderscheid tussen oorspronkelijke productie en surplusproductie. Vóór de
agreementster zake van de surplusproductie werden gesloten, leverde [D] ook al dezelfde producten op dezelfde wijze aan [E] , zij het toen onder de voorwaarden van de
TP Master File. Volgens ‘s Hofs vaststellingen (r.o. 4.56.7.2) zijn na, door of in verband met de
Supply Agreementgeen functies overgegaan van [D] naar [E] of haar andere groepsmaatschappijen. De productie- en logistieke processen zijn dezelfde gebleven. [E] heeft na het aangaan van de
Supply Agreementgeen bepaalde functies ten behoeve van het productie- of logistieke proces verricht, noch heeft zij geïnvesteerd in [D] . Evenmin is het kapitaalbeslag veranderd; [D] drijft haar onderneming met dezelfde activa als voor het sluiten van de
Supply Agreement. Behoudens het productierisico op het surplus van 39% is het productierisico evenmin gewijzigd: [D] loopt voor de oorspronkelijke productiecapaciteit precies dezelfde risico’s als vóór het afsluiten van de
Supply Agreement, en ook ter zake van de surplusproductie zijn alle andere dan verkooprisico’s niet veranderd of verplaatst, zoals het bezettingsrisico, calamiteiten, schades, grondstofkwaliteitsrisico's, machinefalen, valutarisico's, R&D-risico’s, etc. (r.o.4.56.18). De enige verandering ten opzichte van de situatie zonder
Supply Agreementis een juridische overdracht van 39% verkooprisico van Nederland naar Zwitserland.
preferred producervan het concern was, waaraan de
swingproducenten van het concern hun productieniveau moesten aanpassen.
fully fledgedproducent van ammonia en kunstmestproducten nooit haar bestaande en bewezen overwinstcapaciteit, die door de nieuwe fabriek alleen maar beter werd, op een groot deel van haar productie voor 5% van cost afstaan aan een willekeurige derde in de markt. Dat roept om een verklaring door de belanghebbende. Verklaard moet worden waarom slechts 5% marge wordt gelaten aan de bewezen veel winstgevender ‘best presterende’
entrepreneurdie alle functies blijft vervullen die zij daarvóór ook vervulde, behalve - op papier - 39% productierisicobeheersing, en waarom [D] ’s zéér omvangrijke restwinst voortaan maandelijks door haar werd overgemaakt naar een juridische overnemer van 39% productierisico zonder betekenis voor [D] ’s oorspronkelijke productie en zonder betekenis voor de kernfuncties van de surplusproductie, -logistiek, -distributie en -administratie, die alle bij [D] bleven.
most complex entityis, niet met alleen maar een contract voor een willekeurig percentage (39%) van haar capaciteit veranderd kan worden in een routine-margeproducent op bestelling terwijl die onderneming tegelijk voor de identieke 61% overige productie
fully fledged entrepreneurblijft en ook voor de 39% surplus feitelijk alles blijft zoals het was, en (ii) dat evenmin een Zwitserse concernvennootschap die niet ingevoerd is in [D] ’s productie(processen), logistiek, distributie en administratie, en die dus onmiskenbaar de
least complex entityis, met alleen maar een contract voor een even willekeurig percentage (39%) kan worden veranderd in de
fully fledged entrepreneurdie [D] is en feitelijk ook voor die 39% blijft, te minder nu dat contract onmiskenbaar onverenigbaar is met het
TP Master Filevan het concern en met de door dat contract niet relevant gewijzigde feiten.
entrepreneurzoals [D] volgens het Hof nooit akkoord zou gaan met zo’n contract en dergelijke contracten volgens hem dan ook niet gesloten worden tussen niet-gelieerde partijen, is verzakelijking van de voorwaarden moeilijk denkbaar: voor een niet-bestaanbare transactie kunnen immers geen zakelijke voorwaarden bedacht worden. Ik acht die feitelijke oordelen niet onbegrijpelijk en daarom evenmin onbegrijpelijk ’s Hofs conclusie dat fiscaalrechtelijk uitgegaan moet worden van de situatie zonder de twee winstverschuivende
agreements.
entrepreneurte doen zijn, noch om [D] voor 39% van haar productie werkelijk slechts marge-fabrikant op bestelling te doen zijn (én tegelijkertijd voor 61% van haar identieke productie
fully fledged entrepreneurte laten), maar om 39% van [D] ’s omvangrijke winst (minus 5% van
cost) te verplaatsen van de Nederlandse naar de Zwitserse belastingjurisdictie.
TP Master Fileen de overgelegde accountants- en juristenrapporten en op de eveneens aan cassatiecontrole onttrokken waardering van feiten en bewijsmateriaal zoals verklaringen ter zitting, lijkt mij niet onbegrijpelijk. Ik acht het aanmerkelijk begrijpelijker dan belanghebbendes opzienbarende standpunten dat (i) in de verhouding tussen [E] en [D] de laatste de
least complex entityzou zijn en (ii) [D] ter zake van identieke productie die op identieke wijze aan identieke partijen verkocht wordt tegen identieke prijzen tegelijkertijd zowel
fully fledged entrepreneur(61%; mét risico) én
contract manufacturer(39%; zonder risico) zou zijn, óf (iii) [D] - in flagrante strijd met het eigen
TP Master File- al vele jaren – en nog steeds – honderden miljoenen euro’s te veel winst heeft aangegeven, waarbij onopgehelderd blijft aan wie die winst dan wél al die jaren toegerekend had moeten worden en waarom. Ik meen dat alle middelonderdelen daarop afstuiten, maar ga er volledigheidshalve op in.
at arm’s lengthzijn. [47]
agreementsbestaande situatie bevreemdend en vergaand afwijkt van haar eigen eerdere beleid en van haar
TP Master Fileen dat zij een bepaald opmerkelijke stelling inneemt over de winsttoerekening ter zake van de oorspronkelijke productie van 61%, die vergaand afwijkt van hetgeen in de vastgestelde omstandigheden naar ervaringsregelen mag worden verwacht bij een concern zoals dat van de belanghebbende. De belanghebbende is zelf van haar
TP Master Fileén van haar bestaande en voor 61% van haar identieke productie ongewijzìgde TP-beleid afgeweken; zij heeft daarmee de bewijslast naar zichzelf doen verschuiven. Gelet op de vastgestelde feiten, ligt het niet voor de hand om na de onvermijdelijke vaststelling dat de feiten om een niet-BEPS-verklaring van de belanghebbende roepen, nog een
zero basebewijspositie aan te nemen.
TP Master File, en (iv) ervaringsregelen,. De belanghebbende heeft aldus een moeilijk te weerleggen schijn tegen zichzelf gewekt. De onaannemelijkheid en onverklaarbaarheid van te bewijzen stellingen speelt wel degelijk een grote rol bij de vraag naar wie de bewijslast schuift ter zake van de onderbouwing dan wel ontzenuwing van die stellingen. Een aannemelijke stelling moet ontzenuwd worden door de andere partij; een onaannemelijke stelling moet onderbouwd worden door de steller.
at arm’s lengthzijn. ’s Hofs oordeel dat dat niet het geval is, leidt volgens art. 8b(1) Wet Vpb tot een correctie, nl. een hogere dan de aangegeven winst bij de belanghebbende. De boekhoudkundige verwerking van die winstcorrectie aan de andere kant van de balans kan een informele kapitaalstorting in [E] zijn. De OESO-richtlijnen noemen die tweede correctieboeking de
secondary transaction. [48] De informele kapitaalstorting (
constructive equity contribution) zien de OESO-richtlijnen als een mechanisme om een verrekenprijscorrectie boekhoudkundig te verwerken. [49] De rechtsgrond voor de litigieuze correctie is art. 8b Wet Vpb en niet art. 3.8 Wet IB 2001.
arm’s length-beginsel is een objectieve maatstaf voor de bepaling van een zakelijke verrekenprijs. Een afwijking van die objectieve maatstaf betekent, aldus de MvT, dat het vermoeden ontstaat en daarmee het begin van bewijs is geleverd dat het voor- of nadeel dat hierdoor voor het betrokken lichaam is ontstaan, zijn oorzaak vindt in de gelieerdheid tussen de betrokken lichamen. Waardoor de last om dat redelijke vermoeden te ontzenuwen dus bij de afwijker ligt.
Supply Agreementbestaanbaar zou zijn. Ook overigens berust deze klacht mijns inziens op verkeerde lezing van ‘s Hofs uitspraak, zoals onder meer blijkt uit ’s Hofs r.o. 4.56.7.2:
greenfieldactiviteit, maar de 39% extra productie is identiek aan de producten die de belanghebbende al produceerde. Zoals annotator Hafkenscheid (zie 5.23 hierboven) opmerkte: als er qua functies niets is veranderd, is het niet mogelijk dat de belanghebbende het benodigde instrumentarium en de benodigde functies
nietzou hebben voor 39% van haar identieke productie en wél voor de originele capaciteit van 61%.
nietfiscaal gedreven beloning daarbij zou horen voor [E] , nl. nihil. Als géén functies zijn overgenomen door [E] , kan daar ook geen prijs aan gehangen worden, laat staan enige aanspraak, hoe klein ook, op een aandeel in de zeer omvangrijke restwinst boven 5% van
cost.
Master Filevan de belanghebbende
.Dat is geenszins onbegrijpelijk.
Supply Agreementgeen aandacht heeft besteed aan de winstgevendheid van [D] in haar geheel, inclusief de winst op de oorspronkelijke 61% productie. Het Hof heeft te veel nadruk gelegd op de specifieke transactie ter zake van de 39% surplusproductie. Zij wijst op het auto-importeursarrest HR
BNB2002/343 ten betoge dat het Hof had moeten bezien of een derde in
allerechten en plichten van [D] (ter zake van de volle productie) zou hebben willen treden. Ik begrijp deze stelling aldus dat het voor een derde, ondanks de
Supply Agreement, nog steeds aantrekkelijk kon zijn, gegeven de winst op de originele productiecapaciteit, om de volledige positie van [D] over te nemen en dat het Hof dat had moeten onderzoeken.
per saldoop een
overall arm’s lengthwinst zou uitkomen. Dit betoog lijkt mij belanghebbendes positie eerder te verzwakken dan te versterken omdat het impliceert dat de voorwaarden voor de 39% surplusproductie voor niet-gelieerde partijen (aanzienlijk) onaantrekkelijker waren dan die voor de 61%, welk verschil dan opnieuw om een overtuigende verklaring door de belanghebbende roept. De bij het Hof ingenomen stelling dat het
TP Master Filevan het concern [D] ’s winst op de oorspronkelijke 61% productiecapaciteit tot 2012 stelselmatig te hoog bepaalde (en nog steeds), is zodanig innerlijk tegenstrijdig en vergezocht dat er moeilijk serieus op in te gaan valt. Met name is onbegrijpelijk dat vanaf 2012 dan niet ook ter zake van die 61% alle winst boven 5% van
costaan andere concernonderdelen (welke?) is toegerekend (op welke basis?), waardoor het beweerdelijke, voor een derde zo aantrekkelijke, compenserende onzakelijke winstoverschot juist niet zou bestaan. Hoe dan ook lag de bewijslast ter zake van de voor substantiëring van deze interessante stelling benodigde feiten en omstandigheden bij de belanghebbende, die daaraan volgens het Hof niet heeft voldaan, hetgeen mij een verre van onbegrijpelijk bewijsoordeel lijkt.
Supply Agreementhet zakelijk belang van [D] /belanghebbende onvoldoende is meegewogen, in afwijking van wat in niet-gelieerde verhoudingen zou zijn gebeurd. De overdracht van het productierisico met betrekking tot het surplus van 39% was niet in het belang van [D] /belanghebbende, zeker niet met het oog op de investering van € 400.000.000 in de nieuwe fabriek en het risico dat als gevolg van die overdracht de investering niet zou kunnen worden terugverdiend. Middelonderdeel (g) betoogt dat het Hof daarbij ten onrechte voorbij is gegaan aan een stelling van de belanghebbende (uit de conclusie van repliek bij het hoger beroep) die, aldus belanghebbende, iets zegt over de ten tijde van het sluiten van de
Supply Agreementbestaande verwachtingen over de exploitatie van het Surplus. In de kern komt die stelling erop neer dat de investering in de fabriek paste in de strategie van [A] om zich te concentreren op
specialties, relatief nieuwe producten, waarvan de productie met risico was omgeven omdat de mogelijkheid bestond dat de vraag zou achterblijven. Om te voorkomen dat de productiecapaciteit van de fabriek niet volledig benut zou kunnen worden, heeft [A] daarom oorspronkelijk besloten om het surplus toch te gebruiken voor de productie van een ‘basisproduct’. Daarvan werd in 2011 verwacht dat de prijzen zouden gaan dalen, aldus belanghebbende.
Supply Agreementniet zijn gesloten, dan zou [D] /belanghebbende in 2012 tot en met 2019 in totaal (naar verwachting) ruim € 135.000.000 meer winst hebben gerealiseerd. Dit hogere bedrag aan winst zou zich in alle jaren hebben gemanifesteerd, behoudens in 2018 in welk jaar de aanwezigheid van de
Supply Agreementertoe zou hebben geleid dat geen verlies zou zijn geleden. Dat de winst op basis van de
cost plus5% beloning (veel) minder zou bedragen dan de te realiseren winst op het surplus, achtte het Hof voorzienbaar. Hij baseerde zich daarvoor op de in het verleden behaalde resultaten: In 2002 t/m 2011 was het rendement in de meeste jaren véél hoger dan een
cost plus5% beloning. In 2002 t/m 2011 bedroeg het EBIT-percentage: 2002: 19,1%, 2003: 19,6%, 2004: 30,8%, 2005: 24,7%, 2006: 12,5%, 2007: 23,6%, 2008: 28,5%, 2009: 3,6%, 2010: 23,3% en 2011: 29,1%. Het Hof nam daarbij in acht dat de kans groot was dat deze percentages voor 2012 en de jaren daarna nog voor verbetering vatbaar waren, gegeven de toegenomen schaalgrootte, die van groot belang is voor kostenefficiënt produceren. Het Hof achtte het niet aannemelijk dat in niet-gelieerde verhoudingen een ondernemer zoals [D] /belanghebbende, gegeven de gerealiseerde EBIT-percentages in de tien voorafgaande jaren, de (hoge) restwinst op een groot deel van de identieke productie zou inwisselen voor een risicoloos rendement van 5% op
costook al gaat het mogelijk om een volatiele markt. De verschillen tussen de in het verleden gerealiseerde EBIT-percentages en een risicoloos rendement van 5% van
costis daarvoor simpelweg (veel) te groot, aldus het Hof.
agreementsde winsten van [D] /belanghebbende veel hoger zouden zijn geweest en dat de
Supply Agreementniet de zakelijke belangen van belanghebbende heeft gediend. Het Hof heeft ook geoordeeld dat ook ten tijde van het besluit om het productierisico van 39% van de productie contractueel over te dragen aan [E] er al sterke aanwijzen waren dat de
Supply Agreementtegen de zakelijke belangen van [D] /belanghebbende indruiste en dat zo’n besluit in ongelieerde verhoudingen niet zou zijn genomen. [D] droeg immers het risico van de investering van € 400 miljoen en was voor haar rente- en aflossingsverplichtingen afhankelijk van het rendement op de surplusproductie. [D] was bovendien al jaren de grootste en best presterende concernvennootschap. Door het besluit om een groot deel van het productierendement over te dragen aan [E] is [D] voor een belangrijk deel de mogelijkheid ontnomen om een goed rendement te behalen, aldus het Hof, terwijl de kans op een goed rendement – (veel) beter dan
cost plus5% - zeer reëel was. De rendementen van [D] /belanghebbende waren al zeer goed en met de nieuwe fabriek en het grotere productievolume was de verwachting dat nog kostenefficiënter en dus nog winstgevender geproduceerd zou kunnen worden. Het Hof vindt het verder – niet onbegrijpelijk - opmerkelijk dat de
Supply Agreementpas na ingebruikneming van de fabriek is gesloten, op 14 september 2011. Dat de beslissing daartoe al (veel) eerder genomen zou zijn, bijvoorbeeld ten tijde van de investeringsbeslissing, is gesteld noch gebleken. Aangenomen moet daarom worden dat de investeringsbeslissing in 2007 en de daaruit voortvloeiende verplichtingen destijds beoordeeld zijn ervan uitgaande dat de hele productiecapaciteit zou worden ingezet om de noodzakelijke rendementsverwachtingen te realiseren.
supply agreementniet in [D] ’s belang was, acht ik geenszins onbegrijpelijk. Het lag op de weg van de belanghebbende om op te helderen waarom ná ingebruikneming van de fabriek, vier jaar na de investeringsbeslissing, opeens tot een heel andere
business casewerd besloten dan op het beslissende moment van aangaan van verplichtingen in 2007 en hoe dat [D] ’s belang diende. De uiteenzetting over - niet-uitgevoerde - voornemens tot
specialties-productie kon het Hof daartoe onvoldoende achten. Wat
nietgebeurd is, kan een onzakelijke beprijzing van wat wél gebeurd is niet verzakelijken.
Supply Agreementna vijf jaar zonder enige vorm van evaluatie stilzwijgend is verlengd, hoewel [D] /belanghebbende toen wist dat haar na die vijf jaar per saldo circa al € 118.600.000, dus gemiddeld al ruim € 23.700.000 per jaar aan winst was ontgaan door de
Supply Agreement. In een niet-gelieerde verhouding ondenkbaar, aldus kort samengevat ’s Hofs oordeel. Geenszins onbegrijpelijk, lijkt mij.
Supply Agreementtegen de zakelijke belangen van [D] /belanghebbende indruiste ten onrechte mede van belang heeft geacht dat [D] risico liep over de investering in de fabriek en afhankelijk was van het productierendement om te kunnen voldoen aan haar rente- en aflossingsverplichtingen. [D] kan met
cost plus5% een goed rendement halen op de productie en dat voorzienbare rendement stelt haar in staat om aan haar rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen, aldus de belanghebbende. Dat blijkt ook uit de berekeningen die zij als bijlage V bij repliek aan het Hof heeft verstrekt, die op basis van gegevens uit 2020 tot de conclusie voert dat de jaarlijkse cashflow op basis van de
Supply Agreementruim voldoende is om de rentelasten en aflossingen te dragen.
supply agreementhet zakelijke belang van [D] diende, noch maakt het ’s Hofs oordeel dat dat belang niet werd gediend onbegrijpelijk. ’s Hofs oordeel dat [D] risico liep over de investering van € 400.000.000 in de fabriek en afhankelijk was van het productierendement voor haar rente- en aflossingsverplichtingen lijkt mij niet voor bestrijding vatbaar en kan niet los gezien worden van zijn eveneens feitelijke en begrijpelijke oordeel dat de kans op een goed rendement – (veel) beter dan
cost plus5% - zeer reëel moest worden geacht in zowel het investeringsbeslissingsjaar als het ingebruiknemingsjaar. Dat met minder rendement dan de volle restwinst wellicht evenzeer aan de rente- en aflossingsverplichtingen voldaan had kunnen worden, is irrelevant voor de vraag of het ná ingebruikneming van de investering afzien van de verwachte hoge restwinst zakelijk was.
TP Master Filegeciteerd:
TP Master File, die een rol toebedeelt aan PMO. Het Hof heeft in dat verband onderdeel 4.3.3 -
Business strategiesvan de
TP Master Filegeciteerd:
Sale of finished fertilizervan de
TP Master File, dat ingaat op de verkopen door de producenten zoals [D] aan de gelieerde verkooporganisaties. Het Hof citeert in r.o. 4.56.12 in het bijzonder uitgebreid uit 4.3.4 van
Section 4Awaarin de functionele analyse is opgenomen en in r.o. 4.56.12 uit de samenvatting waarmee de functionele analyse wordt afgesloten en die als volgt luidt:
fully fledged manufacturersaanmerkt, gebaseerd op de functies die door die producenten worden uitgevoerd, de door die producenten gelopen risico’s en de door die producenten gebruikte activa. Daarbij heeft het Hof onderkend dat de inkoop van aardgas door een andere vennootschap van het concern plaatsvindt, maar dat het risico van de fluctuerende marktprijs van aardgas ligt bij de producenten zoals [D] .
Supply Agreementeen goed rendement kan halen op haar investering in de fabriek. Daartoe heeft zij een
internal rate of return(IRR)-berekening verstrekt aan het Hof. Dat is haars inziens een gebruikelijke methode om het rendement van een investering te berekenen. Zij heeft het rendement op de investering in de surplusproductie aldus berekend op ongeveer 8,6% na belasting en inflatie.
cost plus5% als een verrekenprijs die bestaat uit de kostprijs vermeerderd met een opslag van 5%, een risicoloos rendement van 5% op de kosten. Dat volgt ook uit het feit dat het Hof de
cost plus5% vergelijkt met de EBIT-percentages. Ook als juist zou zijn dat het Hof IRR-berekeningen en niet de
cost plushad moeten vergelijken met de EBIT-percentages (na correctie voor rente, belasting en inflatie, dan nog maakt dat geenszins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd ’s Hofs oordeel dat het sluiten - en zeker het klakkeloos verlengen - van de
Supply Agreementhet zakelijk belang van [D] /belanghebbende onvoldoende diende om als zakelijk beschouwd te kunnen worden. Die beoordeling moet plaatsvinden op het moment waarop de
Supply Agreementwerd aangegaan c.q. klakkeloos werd verlengd.
Supply Agreementonzakelijk was. Op grond van art. 8b Wet Vpb moet dan gecorrigeerd worden naar een resultaat dat vergelijkbaar is met de winst die onafhankelijke ondernemingen onder vergelijkbare omstandigheden met vergelijkbare transacties zouden behalen. Volgens het Hof zou de
Supply Agreementin niet-gelieerde verhoudingen niet zijn overeengekomen en zou niet maandelijks winst zijn overgeheveld naar [E] . Het maandelijkse onzakelijke handelen moet volgens het Hof dan ook maandelijks gecorrigeerd worden.
Supply Agreementniet tussen onafhankelijke derden tot stand zou zijn gekomen en uitgaande van een juiste rechtsopvatting, behoren te motiveren (i) dat de
Supply Agreementgeen zakelijk karakter heeft en (ii) waarom fiscaal volledig aan de
Supply Agreementmoet worden voorbijgegaan en niet kan worden volstaan met een minder vergaande correctie. Wat dit laatste betreft, had het Hof volgens de belanghebbende met name moeten toelichten waarom het (veronderstelde) onzakelijke karakter niet kan worden hersteld door aan te nemen dat [E] bij het sluiten van de
Supply Agreementeen vergoeding aan [D] zou hebben betaald gelijk aan de geschatte contante waarde van het contract.
Supply Agreementniet kan worden genegeerd en het oordeel dat het daarin overeengekomen onzakelijke handelen op grond van art. 8b Wet Vpb maandelijks moet worden gecorrigeerd in de maanden waarin onzakelijk werd gehandeld. Dit oordeel berust volgens de belanghebbende op verkeerde uitleg van art. 8b Wet Vpb en de artikelen 3.2 en 3.25 Wet IB 2001 in samenhang met art. 8b Wet Vpb. Zij vindt het oordeel ook innerlijk tegenstrijdig omdat het Hof enerzijds (terecht) vooropstelt dat de
Supply Agreementniet kan worden genegeerd – waarmee het Hof volgens haar niet anders kan hebben bedoeld dan dat de
Supply Agreement fiscaalniet kan worden genegeerd – en het anderzijds aan de
Supply Agreementfiscaal volledig voorbijgaat en het uitvoering geven aan de
Supply Agreementcorrigeert. De belanghebbende herhaalt dat als het de
Supply Agreementals zodanig is die tot verschuiving van winstcapaciteit en dus tot een vermogensverschuiving van [D] naar [E] heeft geleid, de fiscale correctie moet plaatsvinden in het jaar waarin
dieverschuiving plaatsvond, te weten in 2011.
Supply Agreementniet kan worden genegeerd, het civielrechtelijke bestaan en de civielrechtelijke implicaties van die overeenkomst. De overeenkomst bestond geenszins slechts in schijn, maar had een andere fiscaalrechtelijke strekking dan de civielrechtelijke bewoordingen suggereerden. Fiscaalrechtelijke interpretatie van die overeenkomst naar zijn werkelijke (fiscale) strekking leert dat maandelijks onzakelijk winst wordt overgeheveld en dat de
arm’s lengthcorrectie van die maandelijkse winstverplaatsing dus ook maandelijks moet plaatsvinden. De werkelijke (fiscale) strekking van de civielrechtelijke overeenkomst was niet om eenmalig alle toekomstige winst reeds in 2011 naar [E] te verplaatsen, maar om de
maandelijkserestwinst boven
cost plus5% elke maand met overmaking van de maandopbrengst minus
cost plus5% naar Switzerland over te maken. Zo staat het immers in de in
datopzicht niet te negeren
agreement.