Uitspraak
15 maart 1995
TB
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 26 januari 1994 betreffende de aan
[X]te
[Z]voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1988 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, deels belast tegen het bijzondere tarief voor winst uit aanmerkelijk belang. De Inspecteur handhaafde de aanslag na bezwaar, maar het Hof vernietigde deze en stelde de aanslag lager vast, waarbij het Hof oordeelde dat de dividendverwachting bij verkoop van aandelen vóór vaststelling van het dividend geen belastbaar inkomen oplevert.
De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad onderzocht onder meer de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en oordeelde dat het beroepschrift tijdig was ingediend. Vervolgens overwoog de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof, dat de dividendverwachting bij verkoop van aandelen vóór vaststelling van het dividend niet belastbaar is, geen onjuiste rechtsopvatting bevat en dat feitelijke waarderingen in cassatie niet kunnen worden getoetst.
Daarom werd het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad gaf belanghebbende de gelegenheid zich uit te laten over een mogelijke proceskostenveroordeling. Het arrest werd uitgesproken op 15 maart 1995 door de derde kamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat dividendverwachting bij verkoop aandelen geen belastbaar inkomen vormt.