ECLI:NL:HR:1995:AA1539
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Wildeboer
- Urlings
- Zuurmond
- Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt systematiek aftrekbare congreskosten en vergoeding werkgever
Belanghebbende, verbonden aan een academisch ziekenhuis, bracht in 1991 kosten voor twee bezochte congressen ten bedrage van ƒ 7.285,-- in aftrek, verminderd met een vergoeding van de werkgever van ƒ 3.446,--. De Inspecteur stelde het maximaal aftrekbare bedrag op ƒ 3.250,-- en bracht de vergoeding hiervan in mindering, waardoor voor belanghebbende geen aftrek resteerde. Het Hof vernietigde deze uitspraak en stond een aftrek van ƒ 3.129,-- toe.
De Hoge Raad overweegt dat het systeem waarbij vergoedingen voor woon-werkverkeer rechtstreeks in mindering worden gebracht op het forfaitaire aftrekbedrag niet zonder meer geldt voor andere aftrekbare kosten zoals congreskosten. Voor deze kosten geldt dat belastingvrije vergoedingen in mindering worden gebracht op de werkelijk gemaakte kosten, waarna het restant wordt getoetst aan het maximaal aftrekbare bedrag.
De Hoge Raad wijst op de parlementaire geschiedenis van artikel 36, lid 2, letter g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waaruit blijkt dat het maximum is gesteld om privékeuzes buiten aftrek te houden. Het beroep in cassatie wordt verworpen en belanghebbende krijgt gelegenheid zich uit te laten over proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen en het arrest van het Hof bevestigd.