Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
BNB2012/37 en HR
BNB2015/13 (die nopen tot
arm’s lengthonderzoek: zou een niet-gelieerde derde tegen een winstonafhankelijke vergoeding eenzelfde lening c.q. garantie verstrekt kunnen hebben onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden?) zo veel mogelijk plaats maken voor uw Paraplukredietarrest HR
BNB2013/109, [1] althans in geval van gelieerde garanties. Dat arrest gaat niet in op de vraag of de gelieerde garanties
arm’s lengthbeprijsd kunnen worden als die garanties onderdeel zijn van een groepskredietarrangement dat zich buiten een groep nauwelijks laat denken; de garanties zelf worden in omstandigheden zoals in het Paraplukredietarrest geacht voort te vloeien uit de vennootschappelijke betrekkingen en daarmee in de onbelaste kapitaal- of deelnemingssfeer te liggen.
A fortioriliggen hun nadelige gevolgen (
Haftung) dan evenmin in de belaste ondernemingssfeer van de betrokken vennootschappen, hoewel u de voordelen van dergelijke intragroepsgaranties wél tot de belaste winstsfeer lijkt te rekenen.
arm’s length-testarresten HR
BNB2012/37 en HR
BNB2015/13 te bepalen, nu daarover in de praktijk onduidelijkheid bestaat en er in de literatuur discussie over is.
2.Rechtspraak over onzakelijke leningen, onzakelijke garanties en paraplukrediet
BNB1988/217 [5] drie limitatieve uitzonderingen: (i) de schijnlening, (ii) de deelnemerschapslening (door haar objectieve kenmerken fiscaalrechtelijk eigen vermogen) en (iii) de bodemloze-putlening (permanente verliesfinanciering). Volgens deskundigen [6] gaat het in wezen maar om één uitzondering (de deelnemerschapslening) omdat een schijnlening ook civielrechtelijk niet als lening zal worden beschouwd en permanente verliesfinanciering impliceert dat vaststaat dat nooit terugbetaald zal worden, zodat materieel de verplichting tot terugbetaling van een hoofdsom ontbreekt, hetgeen denkelijk ook civielrechtelijk in de weg staat aan het aannemen van een leningovereenkomst.
arm’s length-beginsel, hetgeen betekent dat de overeengekomen rente moet worden vervangen door de marktrente die zou hebben gegolden bij overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, c.q. dat voor het (anderszins) onzakelijk nemen van een debiteurenrisico alsnog een zakelijke vergoeding moet worden berekend. Is het mogelijk om een dergelijke
CUP(
comparable uncontrolled price) te bepalen, dan is met de toepassing daarvan de lening/borgstelling alsnog zakelijk. Is een ongelieerde rente- of garantievergoeding onder overigens dezelfde voorwaarden niet bepaalbaar, althans niet zonder de vergoeding in wezen afhankelijk te maken van de winst van de debiteur, dan is de transactie onreparabel onzakelijk en kunnen de gevolgen van realisering van het onzakelijk genomen debiteurenrisico niet ten laste van de winst van de crediteur/garantiegever komen. De lening c.q. de garantie blijft ook fiscaalrechtelijk een lening c.q. een garantie, tenzij de verstrekking slechts verklaard wordt door de gelieerdheid tussen de verstrekker en de aanvaarder.
arm’s lengthprijscorrectie verzakelijkt worden (gevolg: realisering debiteurenrisico wel aftrekbaar, maar de rente moet gecorrigeerd worden).
Haftungna inroepen van de garantie niet aftrekbaar), en (iii) de garantie is ook fiscaalrechtelijk een garantie, maar er had (meer) provisie voor berekend moeten worden (gevolg:
Haftungwél aftrekbaar; prijscorrectie). Ik werk dat hieronder uit, met name in onderdeel 4.
BNB2004/265, [7] dat een duidelijk onderscheid maakt tussen een handelen (slechts) als aandeelhouder (c.q. dochter), dat in de kapitaalsfeer ligt, en onzakelijk handelen als crediteur, dat in de corrigeerbare winstsfeer ligt. De zaak betrof een moedervennootschap die haar recht had prijsgegeven om zich jegens haar dochtervennootschap te beroepen op door die dochter gegeven garanties voor door de moeder aan derden uitgegeven leningen. De kredietrisico’s realiseerden zich en de belanghebbende wilde haar vorderingen afwaarderen. Het Hof had afboeking toegelaten maar wel de winst van de moeder gecorrigeerd met de niet-bedongen vergoeding die de dochter in ongelieerde verhoudingen zou hebben moeten betalen voor het moederlijke afzien van de garanties. De fiscus bestreed de aftrek als zodanig als onzakelijk. U overwoog:
BNB2012/37 [8] betrof een belanghebbende die aan haar dochter (eigen vermogen € 18.151; geen andere activiteiten) effecten had overgedragen tegen een vordering in rekening-courant ad € 5.3 miljoen, zonder zekerheden, aflossingsschema of renteberekening. Later werd alsnog een overeenkomst opgesteld waarin 5% rente en aflossing in tien jaar was opgenomen. In 2001 wilde de belanghebbende € 1.2 miljoen afboeken op haar vordering wegens negatief eigen vermogen van de dochter als gevolg van rentebijschrijving en waardedaling van de effecten. De fiscus weigerde de afboeking. U definieerde onzakelijke leningen (leningen die niet wezenlijk eigen vermogen vormen, maar ter zake waarvan het debiteurenrisico zó onzakelijk is dat dat risico en diens gevolgen – zoals afboeking – niet in de winstsfeer maar in de kapitaalsfeer vallen) als leningen waarop geen winstonafhankelijke rente kan worden bepaald waarbij een derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden. Bij dergelijke onbeprijsbaar riskante leningen moet worden verondersteld dat de verstrekker het debiteurenrisico heeft aanvaard om het belang van de inlenende gelieerde vennootschap als aandeelhouder of als dochter te dienen. U overwoog voorts dat de fiscale winst van de uitlener dan zoveel mogelijk moet worden vastgesteld alsof zij zich borg had gesteld voor de terugbetaling van een lening die de gelieerde inlener bij een derde had opgenomen:
BNB2013/109 (Paraplukredietarrest) [9] betrof een belanghebbende die behoorde tot het A-concern, met aan het hoofd A Holding BV, met wie zij in een fiscale eenheid was gevoegd. Een bankenconsortium had aan A Holding BV een kredietfaciliteit ad € 110 miljoen verstrekt, ook ten behoeve van de andere concernmaatschappijen. Alle concernmaat-schappijen waren hoofdelijk aansprakelijk voor het volle bedrag waarvoor van de kredietfaciliteit gebruik werd gemaakt. De belanghebbende had voor haar hoofdelijkheid geen vergoeding bedongen of ontvangen, noch was zij iets verschuldigd voor de hoofdelijkheid van de anderen. De kredietovereenkomst bepaalde dat als een concernmaatschappij aansprakelijk zou worden gesteld, deze geen regres zou nemen op de medeschuldenaren zolang de totale schuld aan het consortium niet was voldaan. In januari 2003 bleek de liquiditeitspositie van het A-concern zeer zwak. Op 1 april 2003 beëindigde het consortium de financiering en eiste hij het uitstaande krediet op. De belanghebbende, die zelf maar beperkt gebruik had gemaakt van de kredietfaciliteit, droeg € 5.191.883 bij aan de aflossing en wilde dat bedrag ten laste van haar winst brengen omdat de regresvordering op haar medeschuldenaren niets waard zou zijn. U oordeelde echter dat die regresvordering in de kapitaalsfeer lag, evenals de aansprakelijkheidsaanvaarding zelf:
knock for knockbenadering, dat wil zeggen het afzien van het bedenken van onderlinge – elkaar grotendeels uitdovende - garantievergoedingen op grond van de overweging dat elk concernonderdeel in beginsel naar verhouding zowel evenveel krediettoegang heeft als evenveel risico loopt, nu het totale krediet elke afzonderlijke hoofdelijk aansprakelijke groepsvennootschap ver boven het hoofd stijgt en elke vennootschap verhaal heeft op elke andere vennootschap. Een dergelijke benadering is uiteraard alleen aangewezen als geen duidelijk scheve verhoudingen bestaan tussen de concernvennootschappen voor wat betreft (potentiële) kredietbehoefte en verhaalsmogelijkheden (geen rotte appels). Zijn die er wel - de vaststellingen van de feitenrechters duiden er in casu op dat die er mogelijk reeds waren ten tijde van de garantie, nu er reeds toen problemen waren in sommige takken van het concern - dan zal toch een onderling saldogarantievergoedingencircuit bedacht moeten worden, hetgeen er bij erg scheve verhoudingen toe kan leiden dat voor het garant staan voor sommige zwakke broeders en zusters geen prijs te bepalen valt omdat een derde (kredietverzekeraar) hoe dan ook zou bedanken, en dat, andersom, het garant staan door sommige concernvennootschappen weinig of niets waard is, gezien hun eigen zwakheid.”
NTFR2012/1743 achtte Egelie moeilijk denkbaar dat een derde partij zou willen zijn bij een groepskrediet:
BNB2013/109) benoemt twee methoden waarmee aandeelhoudersinvloeden uit de winst kunnen worden geëlimineerd, de prospectieve en de retrospectieve en meent dat u terecht voor de achteruitkijkspiegel heeft gekozen:
FED2013/53) acht het praktisch ongewenst dat u concernkrediet-arrangementen categorisch als onzakelijk aanmerkt, zonder de door u in alle andere gevallen aangewezen
arm’s lengthtest toe te passen:
Vakstudie Nieuws(2013/12.17) verklaart het ontbreken van de
arm’s length-test in het Paraplukredietarrest als volgt:
NTFR2013/586) ziet de verklaring voor uw niet-toepassing van de
arm’s lengthtest in het Paraplukredietarrest in het volgende:
BNB2012/37 was uw arrest in de latere zaak HR
BNB2015/13. [12] De belanghebbende was enig aandeelhouder van A Beheer BV en hoofdelijk aansprakelijk voor de aflossing van een lening van de Rabobank aan die BV. Hij betaalde uit hoofde van die aansprakelijkheid € 160.000 aan de bank, gefinancierd met een lening. Dat bedrag, en de kosten van de lening, wilde hij als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in mindering op zijn inkomen brengen. U oordeelde over de zakelijkheid van de aanvaarding van aansprakelijkheid als volgt:
BNB2015/13 in op het verschil tussen dit arrest (en HR
BNB2012/37) en het Paraplukredietarrest:
3.(Overige) Literatuur
uitsluitendhun oorzaak vinden in deze vennootschappelijke betrekkingen. Een rechtshandeling, die zozeer zijn ontstaansgrond vindt in de aanwezige gelieerdheid, kan voor de totaalwinstbepaling niet worden geacht in de onderneming te zijn opgekomen. De totaalwinst dient daarbij ook per belastingplichtige te worden beoordeeld en niet op concernniveau.”
arm’s lengthtest negeert. Zij menen dat u (op wankele basis) een onweerlegbaar vermoeden c.q. een onzakelijkheidsfictie introduceert (ik laat voetnoten deels weg):
BNB 2015/13[zie 2.14 hierboven; PJW]. (…).
BNB 2013/109is afgeweken van de zo-even bedoelde eerdere rechtspraak. Die vraag klemt naar onze mening te meer nu het arrest
BNB 2015/13wél in overeenstemming is met die eerdere rechtspraak. Een mogelijke verklaring is dat het arrest van 1 maart 2013 moet worden bezien in het licht van de specifieke feiten en omstandigheden van dat geval. Zo voorzag de Hoge Raad wellicht allerlei praktische problemen bij de beprijzing van garantstellingen over en weer binnen groepen, aangezien deze garantstellingen zich buiten groepsverband vaak moeilijk laten denken. [22] Indien dit inderdaad de achterliggende gedachte is geweest, hebben wij daar bedenkingen bij. De eerste bedenking is een zuiver theoretische, namelijk dat de (enkele) omstandigheid dat een bepaalde transactie zich tussen derden bezwaarlijk laat denken, niet reeds met zich brengt dat sprake is van onzakelijk handelen. [23] Ook biedt de enkele omstandigheid dat de transactie tot stand is gekomen op initiatief van de moedermaatschappij onvoldoende grond om aan te nemen dat sprake is van een onzakelijk handelen. [24] Nu kunnen wij er, gelet op de aard van de garantstellingsproblematiek binnen grote concerns, wel begrip voor opbrengen dat de Hoge Raad het met dit theoretische bezwaar mogelijk niet zo nauw neemt, maar, en daarmee komen we bij onze tweede bedenking, er zijn naar onze mening zeer wel gevallen denkbaar waarin die praktische problemen omtrent de beprijzing zich helemaal niet voordoen. Te denken valt aan een simpele groep van twee vennootschappen (een moeder- en een dochtermaatschappij) die beide solvabel zijn en beide op eigen kracht leningen kunnen aantrekken. Indien nu de dochtermaatschappij een lening aantrekt onder een kredietarrangement als aan de orde in het arrest van 1 maart 2013, wordt de gehele garantstelling bij fictie als onzakelijk aangemerkt, terwijl daar naar onze mening geen goede reden voor is. Wat ons betreft schiet de Hoge Raad op dit punt dan ook enigszins door en had hij wat meer vrijheid mogen laten aan en vertrouwen stellen in de rechter die over de feiten oordeelt om van geval tot geval met inachtneming van de normale regels van stelplicht en bewijslast te oordelen of met de garantstelling een debiteurenrisico wordt gelopen dat een derde niet zou hebben aanvaard.
arm’s lengthtest in het Paraplukredietarrest als volgt (ik laat voetnoten deels weg):
11.4. Borgtocht als transactioneel onzakelijke handeling
BNB2015/13 [zie 2.14 hierboven; PJW] volgt dat de Hoge Raad de onzakelijkheid van de borgstelling niet tot uitgangspunt neemt, (…). In het arrest oordeelt de Hoge Raad: [zie 2.14 hierboven; PJW].
BNB2013/109 en
BNB2015/13 worden verklaard doordat in deze arresten twee verschillende verschijningsvormen van ‘onzakelijkheid’ aan de orde waren.
BNB2013/109 was dit de ‘transactionele onzakelijkheid’. Er was sprake van een transactie (de aanvaarding van aansprakelijkheid) die een onafhankelijke derde onder geen beding zou verrichten, ook niet tegen andere voorwaarden en een andere vergoeding. Net als bij de afgifte van een 403-verklaring kon de in dat arrest aan de orde zijnde (onbeperkte en ruime) aansprakelijkheidsaanvaarding alleen uit de aanwezigheid van vennootschappelijke betrekkingen worden verklaard.
BNB2015/13 was de onzakelijkheid van de handeling als zodanig nog geen gegeven. Het stellen van zekerheid voor debiteurenrisico’s op een schuld van een ander doet zich in beginsel ook tussen derden voor (zoals bij een credit default swap). Niettemin kan ook dan de aanvaarding van het met de borgstelling samenhangende debiteurenrisico zijn oorzaak vinden in gelieerde verhoudingen. Net als bij de onzakelijke lening moet daartoe worden getoetst of een debiteurenrisico wordt aanvaard waarvoor geen (niet-winstafhankelijke) vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde onder de gegeven voorwaarden en omstandigheden hetzelfde risico had aanvaard. [27] ”
4.Analyse
BNB2015/13, dat gewezen is ná het Paraplukredietarrest en dezelfde (
arm’s length) boodschap inhoudt ter zake van onzakelijke garanties als HR
BNB2012/37 ter zake van onzakelijke leningen, is niet aannemelijk dat u met het Paraplukredietarrest wilde afwijken van HR
BNB2012/37. U ziet dus denkelijk, anders dan sommige auteurs, geen tegenstelling of spanning tussen uw Paraplukredietarrest en de
arm’s lengthtest van HR
BNB2012/37 en HR
BNB2015/13.
arm’s lengthtest-gevallen elkaar wederzijds uitsluiten, ofwel dat de
arm’s lengthtest niet ter zake doet in paraplukrediet-gevallen. Een paraplukredietgeval wordt dus niet pas geïdentificeerd door het falen voor de
arm’s lengthtest, maar men komt aan die test helemaal niet toe als het om een paraplukredietgeval gaat, juist omdát het om een paraplukredietgeval gaat. Dan rijst uiteraard de vraag hoe men dan wél vaststelt of het om een paraplukredietgeval gaat als dat niet door toepassing van de
arm’s lengthtest geschiedt. Het arrest geeft mijns inziens impliciet antwoord op die vraag: als het om een arrangement gaat dat in feite deelnemerschap of bodemloosheid impliceert (onbeperkt meedeinen met alle ondernemersrisico’s van de hele groep), is fiscaalrechtelijk geen sprake van een garantie, maar van een handelen als aandeelhouder of dochter, dus van een storting, een onttrekking of een uitdeling, althans om iets dat zich buiten de eigenlijke ondernemingsuitoefening en daarmee buiten de belaste-winstsfeer afspeelt.
BNB2004/265 volgt dat als (het afzien van) een kredietgarantie slechts kan worden aangemerkt als een handelen van de aandeelhoudster c.q. de dochter als zodanig, het om handelen in de kapitaalsfeer gaat, hetgeen meebrengt dat noch garantie, noch dier gevolgen invloed hebben op de fiscale winst. De garantie zou dan dus, als zij een lening zou zijn, aangemerkt worden als eigen vermogen in plaats van vreemd vermogen, net zoals een bodemloze-putlening en een deelnemerschapslening als eigen vermogen worden aangemerkt. De eerste op grond van de motieven van de ‘uitlener’ (permanente verliesfinanciering), de laatste op grond van haar objectieve kenmerken (achtergesteld, quasi-perpetueel, winstdelend).
bedoelingenvan de betrokken concernvennootschappen en (ii) op basis van de
objectieve kenmerkenvan het groepskredietarrangement. In het eerste geval doet niet ter zake dat de onderlinge garanties tussen de groepsvennootschappen zich wellicht ook in ongelieerde verhoudingen zouden kunnen voordoen en beprijsd zouden kunnen worden, want in deze benadering zijn beslissend de motieven voor de garanties, niet de denkbaarheid of ondenkbaarheid van een
CUPvoor vergelijkbare ongelieerde garanties. Die motieven zijn een feitelijke kwestie, dus als deze benadering de juiste is, zou Heithuis (noot in
BNB2015/13; zie 2.17 hierboven) gelijk hebben dat u de paraplukredietzaak had moeten verwijzen naar de feitenrechter.
objectievekenmerken van het paraplukrediet beslissend achtte. Die door u opgesomde kenmerken brachten volgens u mee dat ten behoeve van de kredietverlening bij zowel de bank(en) als de betrokken groepsvennootschappen feitelijk een consolidatie plaatsvond en zowel de financiering van de ondernemingen met vreemd vermogen als de daarbij onderling gelopen risico’s in functie van het groepsbelang werden gesteld. Dat impliceert dat u meende dat er economisch maar één groepslening met één groepsrisico was opgenomen door één belastingplichtige (de groep) bij één bank (ook al was dat een consortium) waarvoor alle individuele groepsvennootschappen hetzelfde (enorme) risico liepen en die dus per definitie voortvloeide uit de intervennootschappelijke verhoudingen: de aansprakelijkheidsaanvaarding zelf ligt dan in de kapitaalsfeer, zodat ook in deze benadering niet meer over een
CUPhoeft te worden nagedacht. Daaraan komt men pas toe als de aansprakelijkheidsaanvaarding niet objectief of subjectief slechts verklaard wordt door het groepsbelang, dus als de garantie nog wel als garantie (en niet als storting, onttrekking of uitdeling) gezien kan worden, zij het mogelijk een onzakelijke.
arm’s lengthtest was dus in het Paraplukredietarrest niet relevant, net zomin als bij een deelnemerschapslening van belang is of een derde denkbaar is die tegen een (winstafhankelijke) vergoeding mee zou willen doen. Het Paraplukredietarrest is de gelieerde-garantie-tegenhanger van HR BNB 1988/217 (zie 2.1 hierboven) voor gelieerde leningen: het betrof een ‘deelnemerschapsgarantie’.