ECLI:NL:HR:1995:AA3021
Hoge Raad
- Cassatie
- W. Wildeboer
- J.H. Urlings
- H. Herrmann
- Rechtspraak.nl
Bevestiging feitelijk gebruik perceel voor onroerendgoedbelasting ondanks bouwactiviteiten
Belanghebbende, een besloten vennootschap, kreeg voor het jaar 1989 aanslagen onroerendgoedbelasting opgelegd voor een perceel in Rotterdam waarop een kantoorgebouw werd gebouwd. Na bezwaar werden de aanslagen verminderd, maar belanghebbende ging in beroep bij het Hof. Het Hof bevestigde dat belanghebbende feitelijk gebruiker was van het perceel, ondanks dat er bouwactiviteiten plaatsvonden met het oog op verhuur.
In cassatie stond centraal of belanghebbende als feitelijk gebruiker kon worden aangemerkt volgens artikel 273, eerste lid, letter a, van de Gemeentewet. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel feitelijk van aard was, waardoor het niet in cassatie kon worden onderzocht. Het argument dat bouwen met het oog op verhuur geen feitelijk gebruik is, faalde.
De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Hiermee bleef de aanslag onroerendgoedbelasting gehandhaafd en werd bevestigd dat feitelijk gebruik ook tijdens bouwactiviteiten kan bestaan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel dat belanghebbende feitelijk gebruiker is, blijft gehandhaafd.