Uitspraak
6 oktober 1995.
Hoge Raad
Tijdens een turntraining in 1985 viel een ervaren turnster ernstig en raakte zwaar gewond. De trainster, die weinig ervaring had met het onderdeel ringen, en de vereniging werden aansprakelijk gesteld voor het letsel. De rechtbank wees de vordering af, maar het hof stelde de vereniging en trainster aansprakelijk wegens onvoldoende veiligheidsmaatregelen.
De Hoge Raad bevestigde dat voor de aansprakelijkheid geen andere maatstaven gelden dan bij letsel van niet-leden en dat de aard van het sportletsel geen afwijkende beoordeling rechtvaardigt. Het hof stelde terecht zeer strenge eisen aan de te treffen voorzorgsmaatregelen vanwege het risico op ernstig letsel.
De Hoge Raad verwierp de klachten van de trainster en vereniging en oordeelde dat het hof terecht het causaal verband tussen het niet treffen van veiligheidsmaatregelen en het letsel aannam. De vordering tot schadevergoeding werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aansprakelijkheid van de vereniging en trainster voor het letsel van de turnster en wijst het cassatieberoep af.