ECLI:NL:HR:1996:AA1697

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 augustus 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30966
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 21 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 20 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 14 lid 7 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechtenArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
2 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid naheffingsaanslag bij te late betaling en ne bis in idem-beginsel

Belanghebbende, een besloten vennootschap, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd wegens te late betaling van omzetbelasting over het vierde kwartaal van 1989. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat de inspecteur niet bevoegd was deze aanslag op te leggen omdat eerder een naheffingsaanslag over hetzelfde tijdvak was vernietigd, en dat hierdoor het ne bis in idem-beginsel was geschonden.

De Hoge Raad overwoog dat het ne bis in idem-beginsel, zoals neergelegd in artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, niet in de weg staat aan het opleggen van een naheffingsaanslag wegens te late betaling nadat een eerdere aanslag was vernietigd. Dit omdat de feiten materieel verschillen: de eerste aanslag was gebaseerd op niet-betaling, de tweede op te late betaling.

Het beroep in cassatie werd verworpen, waarbij de Hoge Raad tevens geen aanleiding zag voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd op 30 augustus 1996 in het openbaar uitgesproken door de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bevoegdheid van de inspecteur tot oplegging van de naheffingsaanslag wegens te late betaling.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 december 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 1989 tot en met 31 december 1989 op de voet van het bepaalde in artikel 22 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Wet) bij wijze van verhoging een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 9.561,--. Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bevoegd was de onderhavige naheffingsaanslag, inhoudende een op grond van artikel 22 van Pro de Wet opgelegde verhoging wegens te late betaling, op te leggen, terwijl hij tevoren op het daartegen gemaakte bezwaar van belanghebbende de aanvankelijk aan belanghebbende, met dagtekening 6 december 1991, over het onderhavige tijdvak opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting ten bedrage van ƒ 95.619,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 95.619,-- aan verhoging, had vernietigd, omdat de over het onderhavige tijdvak te betalen belasting was betaald, weliswaar te laat, maar voordat laatstbedoelde aanslag was vastgesteld. Belanghebbende heeft deze vraag ontkennend beantwoord op grond dat zij aldus in strijd met het in artikel 14, lid 7, van het IVBPR neergelegde ne bis in idem-beginsel tweemaal voor dezelfde feiten is vervolgd.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat geen enkele wetsbepaling, noch, nu het bij de feiten ter zake waarvan de verhogingen op grond van artikel 21, lid 1, en artikel 22 van Pro de Wet kunnen worden opgelegd, gaat om feiten die in materiële zin verschillen, enige algemeen verbindende verdragsbepaling eraan in de weg staat dat de inspecteur van de hem in artikel 22 gegeven Pro bevoegdheid gebruik maakt, nadat een op voet van artikel 20, lid 1, van de Wet opgelegde naheffingsaanslag, waarin een verhoging als bedoeld in artikel 21, lid 1, is begrepen, is vernietigd dan wel verminderd tot nihil. Dit oordeel is juist. Mitsdien kan het middel - dat terecht ervan uitgaat dat niet tweemaal voor hetzelfde feit een verhoging kan worden opgelegd, maar wat betreft het onderhavige geval eraan voorbijziet dat de met dagtekening 6 december 1991 opgelegde aanslag is opgelegd omdat de Inspecteur van de veronderstelling uitging dat belanghebbende de verschuldigde belasting niet had voldaan, en de onderhavige aanslag omdat, naar later bleek, belanghebbende die belasting wel had voldaan, doch te laat - niet tot cassatie kan leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 30 augustus 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.