ECLI:NL:HR:1996:AA1801
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer C.H.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Toepassing van proceskostenveroordeling bij intrekking beroep in belastingzaak
Belanghebbende X maakte bezwaar tegen een aanslag bouwgrondbelasting opgelegd door de gemeente Limmen. Na een procedure bij het hof trok X zijn beroep in en verzocht het hof Burgemeester en Wethouders te veroordelen in de proceskosten. Het hof wees dit verzoek toe op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (WARB).
X stelde in cassatie dat het oude civiele recht van toepassing moest zijn omdat het materiële geschil vóór 1 januari 1994 was beëindigd. De Hoge Raad oordeelde echter dat voor de toepassing van het overgangsrecht bepalend is het moment waarop de procedure formeel wordt beëindigd, niet het moment van materiële beëindiging van het geschil.
Omdat de procedure pas op 31 maart 1994 werd beëindigd door intrekking van het beroep, was artikel 5a WARB van toepassing. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat het hof terecht de proceskostenveroordeling volgens de nieuwe regeling had toegepast. De zaak illustreert de toepassing van overgangsrecht bij proceskostenveroordeling in belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toepassing van artikel 5a WARB bij proceskostenveroordeling na intrekking van het beroep.