ECLI:NL:HR:1996:AA1826
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Wildeboer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Gebruik van Friese taal in belastingberoep en toepassing autokostenforfait 1990
In deze zaak is door de Staatssecretaris van Financiën cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden dat een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1990 had verminderd en het beroep van belanghebbende ontvankelijk had verklaard ondanks dat het beroepschrift in het Fries was gesteld.
Het geschil betrof enerzijds de ontvankelijkheid van het in het Fries gestelde beroepschrift en anderzijds de juiste toepassing van het autokostenforfait voor privégebruik van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto in 1990, waarbij twee verschillende regelingen van toepassing waren voor de periodes voor en na 1 augustus 1990.
Het hof had geoordeeld dat het gebruik van de Friese taal het goede verloop van de procedure niet belemmerde en dat het autokostenforfait zoals toegepast door de Inspecteur onjuist was. De Hoge Raad overwoog dat het oude artikel 28 AWR Pro (tot 1 januari 1994) alleen het gebruik van de Nederlandse taal voorschreef voor beroepschriften en dat het hof ten onrechte het beroepschrift in het Fries ontvankelijk had verklaard. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de juiste toepassing van het autokostenforfait twee opeenvolgende regelingen vereist, conform eerdere arresten.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof, bevestigde de uitspraak van de Inspecteur en verklaarde het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk. De proceskostenveroordeling werd achterwege gelaten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt niet-ontvankelijk verklaard en de aanslag gehandhaafd.