ECLI:NL:HR:1996:AA1841
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Wildeboer
- Urlings
- Herrmann
- Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffing overschotheffing Meststoffenwet ondanks vestigingsplaats en EG-verdrag
X B.V. werd een naheffingsaanslag opgelegd voor de overschotheffing op grond van de Meststoffenwet voor het jaar 1987. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd maar niet geheel vernietigd. X B.V. stelde in cassatie dat de heffing niet van toepassing zou moeten zijn omdat haar bedrijf gevestigd is in een mesttekortgebied, en dat de wetgever hiermee het discriminatieverbod uit het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten zou schenden.
De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever bewust geen onderscheid maakt tussen mestoverschot- en mesttekortgebieden omdat het mestprobleem een nationaal karakter heeft. Ook werd geoordeeld dat de overschotheffing niet in strijd is met het EG-verdrag, mede omdat de beoordeling van eventuele steunmaatregelen aan de Europese Commissie toekomt. Daarnaast werd het beroep verworpen dat de forfaitaire vaststelling van fosfaatgehalten onredelijk zou zijn, omdat ook andere mineralen in de mest schadelijk kunnen zijn.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd gewezen door de vice-president Stoffer en vier raadsheren op 17 april 1996.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag overschotheffing Meststoffenwet.