ECLI:NL:HR:1996:AA1917

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juli 1996
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30845
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Zuurmond
  • raadsheer C.H.M. Jansen
  • raadsheer Pos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 Gemeentewet (oud)
Verwijzingen
2 uitgaand · 17 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing in geschil over rioolrechten gemeente Amsterdam

Belanghebbende werd voor het jaar 1992 aangeslagen voor rioolrechten door de gemeente Amsterdam, waarbij vijf aanslagen op één biljet waren verenigd. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslagen, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof Amsterdam. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Inspecteur.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De kern van het geschil betrof de juiste toepassing van artikel 279 van Pro de Gemeentewet (oud), waarbij de Verordening rioolrechten 1992 twee afzonderlijke retributies kent: het rioolaansluitrecht en het rioolafvoerrecht. Deze dienen afzonderlijk te worden beoordeeld op hun kosten- en opbrengstverhouding.

Het Hof had geoordeeld dat de geraamde opbrengsten niet hoger waren dan de geraamde uitgaven, maar had dit oordeel onjuist toegepast door beide retributies samen te beoordelen in plaats van afzonderlijk. Hierdoor kon het oordeel van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het Hof Den Haag voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen.

Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de gemeente Amsterdam tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van belanghebbende. Het arrest werd op 15 juli 1996 uitgesproken door vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Stoffer.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Hof Den Haag voor herbeoordeling.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 oktober 1994 betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslagen in het rioolrecht/aansluitrecht riolering van de gemeente Amsterdam.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1992 ter zake van de objecten a-straat 1, 2, 3, 4 en b-straat 1 te Q vijf, op één aanslagbiljet verenigde, aanslagen in het rioolrecht/ aansluitrecht riolering van de gemeente Amsterdam opgelegd, elk ten bedrage van f 126,-- , welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur der Gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam zijn gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Ambtshalve aanwezig bevonden grond tot cassatie 3.1. De Verordening rioolrechten 1992 kent twee verschillende retributies - een rioolaansluitrecht en een rioolafvoerrecht - welke dienen tot dekking van verschillende kosten en derhalve voor de toepassing van artikel 279 van Pro de gemeentewet (tekst 1992) afzonderlijk moeten worden beoordeeld (HR 20 september 1995, nr. 30567, BNB 1995/315). 3.2. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de geraamde opbrengst van de rioolrechten niet uitgaat boven de geraamde gemeentelijk uitgaven ter zake. Nu de tot de gedingstukken behorende gedeelten van de "begroting van de inkomsten en uitgaven 1992" van de gemeente Amsterdam - waarin valt te lezen dat de inkomsten uit beide rioolrechten en de uitgaven ter zake van riolen elk circa ƒ 69.000.000,-- belopen - geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat daarin die inkomsten en uitgaven voor beide retributies tezamen zijn genomen en noch 's-Hofs uitspraak noch de stukken van het geding gegevens bevatten waaruit kan worden afgeleid of de aan het rioolaansluitrecht toe te rekenen uitgaven uitgaan boven de geraamde opbrengst van het rioolaansluitrecht, dient 's Hofs oordeel klaarblijkelijk aldus te worden verstaan dat voor beide retributies tezamen moet worden beoordeeld of de geraamde uitgaven de geraamde inkomsten te boven gaan. Dat oordeel is, naar volgt uit het in 3.1 overwogene, onjuist. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De klacht van belanghebbende behoeft geen behandeling meer. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht, gelet op de inhoud van het procesdossier, termen aanwezig om ten aanzien van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het geding in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken, te beslissen zoals hierna zal worden vermeld.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, veroordeelt de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 355,-- en gelast dat door de gemeente Amsterdam aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 300,--.
Dit arrest is op 15 juli 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, C.H.M. Jansen en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.