ECLI:NL:HR:1996:AA2057
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag omzetbelasting over 1989 ondanks betwisting zelfstandigheid onderneming
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 1989 voor een bedrag van ƒ 8.398, die na bezwaar en beroep bij het Hof werd gehandhaafd. Hij stelde dat hij in 1989 alleen omzetbelasting verschuldigd was over de nevenvestiging te R, omdat de hoofdvestiging te Q door zijn ex-echtgenote werd gedreven. Het Hof oordeelde echter dat de leveringen vanuit de vestiging te Q namens belanghebbende en voor zijn rekening en risico werden verricht.
In cassatie stelde belanghebbende nieuwe bewijsstukken over, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze niet konden leiden tot vernietiging omdat het om feitelijke beoordeling ging die in cassatie niet aan de orde is. De Hoge Raad bevestigde dat het begrip ondernemer in de Wet op de omzetbelasting 1968 gelijk is aan dat in de Zesde EG-richtlijn, waarbij zelfstandigheid en het dragen van risico centraal staan.
De Hoge Raad concludeerde dat belanghebbende zijn stelling dat hij geen ondernemer was voor de vestiging te Q niet had bewezen. De omstandigheden zoals de inschrijving in het handelsregister, bankbetalingen en de aangifte inkomstenbelasting wezen erop dat de onderneming te Q in 1989 nog voor zijn rekening werd gedreven. Het beroep in cassatie werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de naheffingsaanslag omzetbelasting over 1989 wordt bevestigd.