ECLI:NL:PHR:1996:AA2057
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende omzetbelasting over beide winkels in 1989 verschuldigd was
De belanghebbende opende in 1979 een dierenspeciaalzaak te Q en in 1986 een nevenvestiging te R. Na zijn scheiding in 1987 werden de zakelijke activiteiten gesplitst, waarbij de belanghebbende de zaak in R voortzette en zijn ex-echtgenote de zaak in Q. Over 1987 en 1988 betaalde hij nog omzetbelasting voor beide vestigingen op één aangifte. In 1992 legde de Inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting over 1989 op, omdat naar zijn mening te weinig belasting was betaald.
De belanghebbende voerde in beroep aan dat hij in 1989 alleen omzetbelasting verschuldigd was over de zaak te R, omdat hij geen bemoeienis meer had met de zaak te Q. Het Hof verwierp dit beroep en oordeelde dat de leveringen vanuit de onderneming te Q voor rekening van de belanghebbende waren gedaan. De belanghebbende stelde in cassatie dat dit onjuist was.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de belanghebbende zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. De Inspecteur had verschillende omstandigheden aangevoerd, zoals de late wijziging in het handelsregister, de rekening-courantverhouding, en bankbetalingen op naam van de belanghebbende. De Hoge Raad concludeert dat het beroep in cassatie moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de naheffingsaanslag omzetbelasting over 1989 blijft in stand.