Uitspraak
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 13 september 1994 betreffende de haar voor het jaar 1986 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was tot 25 juni 1986 houdster van alle aandelen in een beleggingsinstelling die haar status verloor per 1 juni 1986. Bij verkoop van deze aandelen behaalde belanghebbende een boekwinst van ruim 2,1 miljoen gulden. De vraag was of deze boekwinst vrijgesteld was van vennootschapsbelasting op grond van de deelnemingsvrijstelling in artikel 13 Wet Pro Vpb 1969.
De Inspecteur stelde dat de winst niet vrijgesteld was omdat de deelneming in de periode waarin de winst werd gerealiseerd de status van beleggingsinstelling had en de deelnemingsvrijstelling daardoor niet van toepassing was. Het Hof bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de boekwinst niet als vrijgesteld voordeel kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van belanghebbende en bevestigde het oordeel van het Hof. De Hoge Raad benadrukte dat de overgangsregeling in artikel 13 lid 2 Wet Pro Vpb 1969 alleen ziet op uitdelingen en niet op gerealiseerde koerswinsten zoals in deze zaak. Daarmee blijft de boekwinst belast.
De Hoge Raad wees ook proceskostenveroordeling af omdat daarvoor geen grondslag was in de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het arrest werd op 4 december 1996 uitgesproken en bevestigt de restrictieve toepassing van de deelnemingsvrijstelling bij beleggingsinstellingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de boekwinst niet is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.