Uitspraak
Hoge Raad der Nederlanden
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 20 april 1988 betreffende de haar voor het jaar 1981 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Belanghebbende bezat op 31 december 1980 een pakket ter beurze genoteerde aandelen in [B] ten belope van ten minste 5% van het nominaal gestorte kapitaal van die vennootschap; de aandelen vormden een deelneming in de zin van artikel 13 (tekst 1981) van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet). In 1981 verkocht zij een gedeelte van dit bezit, waardoor haar belang in de vennootschap werd teruggebracht tot 4,96% van het nominaal gestorte kapitaal; dit belang vormde geen deelneming meer.
Belanghebbende waardeerde deelnemingen naar het stelsel: kostprijs of lagere intrinsieke waarde; dit stelsel leidde voor de onderhavige deelneming op de balans per 31 december 1980 tot waardering naar kostprijs. Op haar balans per 31 december 1981 waardeerde zij het resterende belang overeenkomstig het door haar voor beleggingsaandelen toegepaste stelsel: kostprijs of lagere beurskoers, op de beurskoers; deze wijziging van de waardering leidde tot een boekverlies van f 891.488,--. Ten tijde van de vorengenoemde verkoop van een deel van het pakket bedroeg het verschil tussen de boekwaarde (kostprijs) en de lagere waarde van de resterende aandelen f 800.408,--.
Het vorenoverwogene brengt mee dat de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat artikel 13 slechts Pro toepassing kan vinden indien met betrekking tot het aandelenbezit uit hoofde waarvan een voordeel wordt genoten en deelnemingsverhouding in de zin van dat artikel bestaat op het moment waarop dat voordeel wordt gerealiseerd, niet als juist kan worden aanvaard.
Het primaire middel is derhalve niet gegrond.