Uitspraak
[vestigingsplaats].
15 oktober 1996.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of een rechtspersoon (een B.V.) kon worden veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift, gepleegd door haar werknemer met opzet. De werknemer had in de periode augustus tot december 1990 valse opslagverklaringen en gezondheidscertificaten opgemaakt en vervalst met het oogmerk deze als echt te gebruiken. Het hof had de B.V. veroordeeld tot een geldboete.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat het opzet van de werknemer aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, omdat de werknemer binnen zijn procuratie handelde en de directeur op de hoogte was van de vervalsingen op de originele documenten. De toevoegingen aan de certificaten bestonden uit onjuiste opslagperioden en onjuiste gegevens over Engelse gezondheidscertificaten en containernummers.
De verdediging voerde aan dat de B.V. niet aansprakelijk kon zijn omdat de directeur niet alle handelingen had goedgekeurd en dat de toegevoegde gegevens juist waren, maar deze verweren werden verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat ook onbevoegd toegevoegde gegevens aan een geschrift als vervalsing gelden, ook als de gegevens op zichzelf juist zijn.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling van de rechtspersoon wegens medeplegen van valsheid in geschrift met opzet van haar werknemer definitief bleef staan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de rechtspersoon voor medeplegen van valsheid in geschrift met opzet van haar werknemer.