Uitspraak
(elk) zijnde een middel in de zin van artikel 1 Opiumwet Pro, vermeld op de bij deze wet behorende lijst 1,
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van drugshandel met amfetamine. Het hof had het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en een geldboete. De verdachte had een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie vanwege vermeende disproportionele en onrechtmatige inzet van pseudo-kopen en een burger-infiltrant.
De Hoge Raad onderzocht of het hof terecht had geoordeeld dat de zaak in hoger beroep moest worden berecht met inachtneming van een eerder arrest waarin het beroep op niet-ontvankelijkheid was verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof in het eindarrest de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie opnieuw had moeten beoordelen en daarover een beslissing had moeten nemen, mede omdat het verweer tot niet-ontvankelijkheid uitdrukkelijk was ingebracht.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof ten onrechte het verweer van niet-ontvankelijkheid had verworpen met de motivering dat dit reeds in het eerdere arrest was behandeld. Hierdoor was de procedure niet correct verlopen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het hof Arnhem voor een volledige hernieuwde berechting en beslissing op het hoger beroep, inclusief de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting inclusief beoordeling ontvankelijkheid OM.