Conclusie
19 december 2013, bij welk arrest Openbaar Ministerie ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, onherroepelijk geworden.
eerste middelklaagt er over dat het hof “ten onrechte geen zelfstandig oordeel over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het vervolgingsrecht heeft gevormd en zich gebonden heeft geacht aan eerdere beslissing naar aanleiding van ander onderzoek ter terechtzitting, in een andere samenstelling.”
NJ1997/121 er op gewezen dat deze binding van de rechtbank aan de beslissing van het hof een uitzondering is. De hoofdregel is (in zijn woorden) “dat een bij tussenuitspraak gegeven beslissing per definitie voorlopig van aard is. Aan een voorlopige beslissing is een later oordelende rechter niet gebonden; in dit verband kan ook het adagium
l'interlocutoire ne lie pas le jugeworden vermeld.” [2] Tevergeefs deed de AG indertijd nog een poging de zaak te redden door het zo voor te stellen dat het hof het verweer wel opnieuw had beoordeeld, maar dat de uitkomst en argumentatie niet afweek van het eerdere oordeel.
tweede middelklaagt dat het hof niet heeft beslist op het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
derde middelklaagt dat de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid door het hof berust op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans onbegrijpelijk is.
vierde middelklaagt over de verwerping van het beroep op de uitsluiting van bewijsmiddelen verkregen na 10 december 2012 alsmede het gebruik van bewijsmiddelen die volgens het hof dienen te worden uitgesloten.
vijfde middelklaagt dat de uitspraak niet (in het openbaar) is gedaan.